Na 100 jaar moet NCB de hand opnieuw aan de ploeg slaan

De Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB) viert dit jaar zijn eeuwfeest. Honderd jaar rooms-katholieke emancipatie en solidariteit, maar het lidmaatschap is niet meer zo vanzelfsprekend. “De hele maatschappij is harder geworden, dus ook de NCB moet harder worden.”

Twaalf hectare land had boer Harrie van Balkom (85) uit Helvoirt. Het merendeel ervan had hij in pacht van de katholieke kerk. Daarop verbouwde hij aardappelen, bieten, graan en wortelen, die grotendeels als voer waren bestemd voor zijn handjevol koeien en fokzeugen. De arme zandgrond bemestte hij hoofdzakelijk met mest uit zijn potstal. “Maar je had altijd tekort en dan moest je er wat kunstmest bijdoen.” Het gezin met vijf kinderen had op de Kerkhoeve gewoond in het Helvoirtse buitengebied. Later nam zijn zoon Jo het bedrijf over. Die heeft 100 melkkoeien en woont aan de Heikant vlakbij de Kerkhoeve, waar hij een nieuwe boerderij bouwde. Harrie en zijn vrouw Sien zijn naar het centrum van Helvoirt verhuisd.

Harrie had destijds als een van de eersten in de buurt een tractor en een beregeningsinstallatie aangeschaft. Dat was niet door iedereen begrepen. “Onze Lieve Heer zorgt wel voor de regen als 't moet”, zo had men in de toen nog diep gelovige boerengemeenschap geredeneerd. “Rijk werd je van het boeren niet, maar we koste rondkomen. We hadden het goed, want we hadden een vrij leven.”

Bij 'n tas koffie in de huiskamer ging het gesprek over Harries voorzitterschap in de jaren zestig van de Helvoirtse afdeling van de Noordbrabantse Christelijke Boerenbond (NCB). Dat was toen deze boerenorganisatie nog volop bloeide en groeide. De pastoor was bij de vergaderingen altijd nadrukkelijk aanwezig. “En zijn wil was wet”, aldus Harrie, “van heel het bestuur ging niemand tegen hem in.” Eens in het jaar werd er een gezinsdag gehouden. Die begon met een heilige mis, dan kwam er een spreker en vervolgens een koffietafel. “Zeker tachtig procent van de leden was dan aanwezig. Als er iets weg te geven valt dan komen ze wel”, zegt Harrie.

De NCB in Helvoirt was in die dagen, net als in andere dorpen, niet meer dan een pakhuis. Nu is het uitgebouwd tot een supermarkt waar ook de burgerman van alles kopen kan: van leertjes voor de kraan tot volledige badkamers toe. Vroeger kon je er eigenlijk niets anders kopen dan veevoer, zaaigoed en kunstmest. Maar het was wèl een van de tekenen dat de boeren het nut waren gaan inzien van coöperatieve samenwerking. Zoals dat ook de Boerenleenbank, de veevoederfabriek CHV, de verzekeringsmaatschappij Interpolis, de slachterij Encebe en de melkfabrieken van Campina werden. Verder waren er de eigen scholen voor landbouwonderwijs die in hun beste jaren 4.000 leerlingen telden. De onderlinge solidariteit was groot. Nog altijd is er een sociaal fonds en een fonds nieuw welzijn. Daarin dragen de leden geld af waarmee nog steeds de missionarissen worden ondersteund. Een paar keer per jaar zijn er weken voor gehandicapte leden. Men betaalt er de reizen mee naar het bedevaartsoord Lourdes en men springt boeren bij die in financiële problemen zijn geraakt. Het gezinsbedrijf staat bij de NCB nog altijd bovenaan in het vaandel, want is het gezin naar goed christelijke opvatting immers niet de hoeksteen van de samenleving?

Zoals Joke van Doorn (51) uit Berlicum, de enige vrouw tussen negentien mannen van het NCB-hoofdbestuur, zegt: “Daarmee wordt een stukje van de 'c' van christelijk ingevuld.” In de 100 jaar NCB werd aldus een hecht economisch en sociaal netwerk geweven dat over heel het Brabantse land en een deel van Gelderland en Zeeland werd gespannen. In de plaatselijke politiek verwierf men zich een of meer zetels in de gemeenteraad namens de KVP, nu het CDA. De lijnen naar Den Haag stonden altijd open. Nu 'paars' aan de macht is, is dat een stuk minder het geval. De NCB werd 100 jaar geleden opgericht door de Norbertijner pater Gerlacus van den Elsen en de Peelontginner Dominicus van Ophoven. Van den Elsen wordt nog altijd met eerbied de 'boerenapostel' genoemd. Hij had de Brabantse agrariërs voorgehouden dat samenwerking van het grootste belang was “in een door het sociaal katholicisme geïnspireerde beweging die emancipatie voorstaat”. Er kwam een wapen met daarin de spreuk “Cruce et aratro” (kruis en ploeg). “De boer zal zijn geluk bereiken door het kruis: dit is door den christelijken godsdienst.”

Voor vrouwen waren er in die dagen geen bestuursfuncties weggelegd. Die kwamen bijeen in de Boerinnenbond, die later werd verbreed tot de Katholieke Vrouwen Organisatie (KVO) waarin plaats is voor alle vrouwen die op het platteland wonen. Het duurde tot 1991 voordat een vrouw doorstootte naar het hoofdbestuur. Dat is Joke van Doorn (51) die met haar man in het Berlicumse buitengebied in een in fraai groen verstopte boerderij 200 fokzeugen houdt. Joke, die de MMS volgde en die voordat ze boerin was werkte op het kantoor van de Rabobank: “De positie van de agrarische vrouwen is heel anders geworden. Vroeger werkten ze alleen in het achterhuis als een soort oproepkracht op het moment dat daar iets aan de hand was. Daar verdienden ze niks mee. Nu zitten ze vaak samen met hun man in de maatschap waardoor een deel van de winst naar haar gaat. Dat heeft niet alleen een belastingvoordeel. Het is ook van emancipatoire betekenis. Haar positie zal nog sterker veranderen nu de land- en tuinbouw ook sterk aan verandering onderhevig zijn. De vrouwen krijgen steeds vaker een neventaak, bijvoorbeeld bij het verkopen van produkten aan huis of in de recreatieve sfeer. Er komen steeds meer bedrijven met bed and breakfast en kampeerboerderijen. Doordat er bedrijven sluiten moeten de vrouwen een nieuwe kans krijgen op de arbeidsmarkt. Daarom streven we naar her- en bijscholing. Op die markt is het nog moeilijk om voor haar een plek te vinden en dat terwijl ze door haar ervaringen binnen het bedrijf een duizendpoot is, een heuse manager, waar een werkgever blij mee zou moeten zijn. Verder willen we een zwangerschapsregeling, want nu werken de vrouwen vaak veel te lang door, en bevallingsverlof. Nu zijn 2.500 vrouwen lid van de NCB, terwijl ze in het hoofdbestuur maar één vertegenwoordigster hebben. In het jaar 2000 willen we 25 procent vrouwen als lid, maar dan ook in bestuursfuncties”, zegt ze terwijl haar man de koffie zet.

Joke was er ook op die dag in april van dit jaar in het Boerenbondsmuseum in Gemert. Het museum is gevestigd in de boerderij waar Gerlacus van den Elsen werd geboren. Toen werd met het eeuwfeest, dat op 17 augustus het hoogtepunt bereikt, een begin gemaakt door de opening van de tentoonstelling “100 jaar een ploeg”. De binnenkort vertrekkende voorzitter Ad Latijnhouwers, zelf zoon van een boer uit Best, had er de mensen toegesproken vanachter een spreekgestoelte waarop het inmiddels vervangen logo van de Rabobank stond. Er achter hing een van de prachtige, met gouddraad geborduurde vaandels die de organisatie in de loop van de eeuw rijk is geworden. Hoofdbestuurslid Harry Verkampen uit Gemert had er ook gesproken. Hij is wethouder voor het CDA in Gemert. Hij is voorzitter van de actiegroep 'We zijn 't zat' tegen het mestbeleid van de regering. Hij is voorzitter van het museum en hij zit op nog wat andere sleutelposities in het maatschappelijke middenveld. Hij sprak daar over 'oew eige boks ophouen' en over 'neije problemen' die staan te wachten nu de milieumaatregelen steeds scherper worden.

Op de tentoonstelling lag het omslagpapier van de Brabo roomboter, verder een reclameplaat waarop stond 'rookt Brabantse boerenbondstabak'. Er was het portret te zien van de kunstmestpastoor Roes wiens devies was geweest: “Bidt, rekent, leest en houdt boek.” “Saws mî slechts ejn owch vet (saus met slechts een oog vet)” stond er ergens geschreven als testimonium van de vroegere armoede. Het merendeel van de aanwezige NCB-leden bij de opening van de tentoonstelling was van middelbare leeftijd of daarboven. Het ledenbestand vergrijst niet alleen, het neemt ook af; in tien jaar tijd met 2.000 tot nu ruim 25.000. In dertig jaar tijd halveerde het aantal boerenbedrijven in het NCB-gebied tot 15.000. De NCB maakt zich er zorgen over dat steeds meer landbouwgrond wordt ingenomen voor stads- en dorpsuitbreidingen. Het lidmaatschap is niet meer vanzelfsprekend.

Een paar maanden geleden zegde melkveehouder Jan van de Hurk (31) uit de buurtschap de Margriet in Helvoirt zijn lidmaatschap op. Dat was een ingrijpend besluit geweest, immers, zegt Jan, “als je boer werd, werd je bijna automatisch lid van de NCB. Ik bezocht zoveel mogelijk de vergaderingen, maar aan de magere opkomst zag je dat er dingen aan de orde werden gesteld die blijkbaar niet iedereen meer interessant vindt.” De diepe achtergrond van Jans opzegging lag in het beleid van het NCB-bestuur inzake de mest- en milieuwetgeving. Daarin, vindt Jan, wordt te veel gedanst naar het pijpen van de overheid. “Als je werkelijk opkomt voor de belangen van je leden dan moet je er harder tegen aan gaan dan de leiding van de NCB nu doet. Die neemt nu beslissingen en gaat dan aan de leden vragen of ze het ermee eens zijn, terwijl het toch andersom zou moeten zijn. In de hele mestproblematiek heeft ze een middenweg bewandeld, terwijl toch bekend moet zijn dat alle Brabantse boeren het met dat beleid niet eens zijn. De hele maatschappij is harder geworden, dus moet de NCB ook harder worden. Voor mijn part net zo hard als de Franse boeren of als de Nederlandse vakbond van varkenshouders die uit protest tegen het mestbeleid ontstond. Als er nu iets te protesteren valt, moeten er eerst mannen opstaan die de kar trekken en dan pas sluit de NCB zich er schoorvoetend bij aan. Als je, zoals de NCB-voormannen, politiek wilt bedrijven dan moet je in de Kamer gaan zitten en niet bestuurder blijven van een belangenvereniging. Indien men op deze weg doorgaat dan denk ik dat ze de 150 jaar niet meer halen. Bij veel meer collega's hoor ik dit soort klachten.” Jan, zijn vrouw en hun twee kindjes staan harde tijden te wachten. Zijn grond ligt gedeeltelijk in het toekomstige nationale park van de Loonse en Drunense Duinen. Daarvoor worden zogenoemde beheersmaatregelen van kracht, wat betekent dat er beperkingen zullen worden gesteld aan de uitoefening van het bedrijf. Daarmee is de NCB het eens, Jan echter allerminst. “Dat betekent dat we in inkomen achteruit zullen gaan en dat terwijl het ons toch al niet meer zo voor de wind gaat.”

Joke van Doorn: “Het is waar dat het lidmaatschap van de NCB niet meer vanzelfsprekend is. Tegenwoordig kijkt men de kat uit de boom en treedt men pas toe als men het nut van belangenbeharting heeft ingezien. De NCB kan ook niet altijd alleen maar toegeven aan wat de leden denken dat er moet gebeuren. Dat is uit de tijd. Vroeger had je als boer zoveel macht dat je aan een 'neen' kon blijven vasthouden. Nu is de tijd aangebroken om met elkaar - boeren en samenleving - dingen af te spreken. Daarvoor is ook binnen onze organisatie een groeiend begrip.”

Volgens Joke is lidmaatschap nu meer dan ooit nodig. “Er staan in de land- en tuinbouw grote veranderingen op stapel. In de toekomst zullen we drie soorten ondernemingen hebben: de grootschalige bedrijven die daardoor gemakkelijker het geld verdienen om milieumaatregelen te kunnen betalen. Dan de bedrijven die zullen overgaan op biologische en daardoor ecologisch verantwoorde produktie. Daarmee wordt ingespeeld op de gevoelens die er in de samenleving bestaan over het milieu en over de gezondheid. Een ander deel van de boeren zal naast het traditionele produktiebedrijf worden betrokken in het landschapsbeheer. Maar het inkomensverlies dat daarvan het gevolg zal zijn, moet wel worden gecompenseerd. Dat zijn namelijk zaken die ons worden opgelegd door de samenleving, dus mag die samenleving niet van ons verwachten dat we het voor niks doen. Ten slotte zal de NCB moeten opkomen voor de wijkers, voor de mensen die het niet meer kunnen rooien. Als je als NCB voor al die zaken oog blijft houden, dan hoef je niet te twijfelen aan de toekomst van de organisatie.”

    • Max Paumen