Lat-relatie politiek en defensie

In de sport is het tegenwoordig een veelgebezigde uitdrukking: gepiepeld worden. Het is ongeveer het ergste dat een team kan overkomen. Een wedstrijd verliezen is vanzelfsprekend vervelend, maar pas heel erg wordt het als de winnaar de tegenstander daarnaast ook nog heeft 'gepiepeld'. Het betekent dat de verliezende ploeg er geheel niet meer aan te pas komt en eigenlijk constant door de ander voor schut wordt gezet.

Het optreden van de scheidende luitenant-generaal Couzy doet ook erg veel aan 'piepelen' denken, met in dit geval de politiek in de rol van slachtoffer. In de vier jaar dat Couzy Bevelhebber der Landstrijdkrachten is geweest, heeft hij met zijn politieke superieuren gespeeld. Altijd waren ze verrast, altijd ook waren ze verontwaardigd over zijn uitspraken, maar nooit durfden ze de uiterste consesequentie te verbinden aan hun ongenoegen. Couzy kon roepen en blijven zitten. Daardoor werd de luitenant-generaal - die het maar weer eens gezegd had! - de held werd van zijn personeel en de minister van defensie de risee.

Couzy's vorige week verschenen boek Mijn jaren als bevelhebber kan worden beschouwd als de definitieve afrekening met de politiek die hem maar niet wilde begrijpen. Zonder maar enig spoor van berouw herhaalt hij al zijn kritiek van de afgelopen jaren en maakt hij en passant duidelijk hoe goed de daarop volgende berispingen van de politieke leiding hem uitkwamen. Zo schreef Couzy in 1992, twee maanden na zijn aantreden, het beruchte artikel op de opiniepagina van deze krant waarin hij pleitte voor een ruime overgangstijd wanneer de dienstplicht zou worden afgeschaft. “Het tempo van verandering kent grenzen”, aldus de luitenant-generaal.

Den Haag, de minister van Defensie voorop, was in alle staten. Couzy had zich met politieke zaken ingelaten. Het gevolg was dat hij bij secretaris-generaal Patijn van het ministerie van Defensie (de huidige staatssecretaris van Buitenlandse Zaken) werd ontboden en een loyaliteitsverklaring ter ondertekening kreeg voorgelegd. Hierin stond onder andere dat zijn artikel gelezen moest worden als een “ondersteuning van het beleid van de minister van defensie”.

Couzy in zijn boek over die ochtend bij Patijn: “Ik sputterde nog enkele minuten tegen en tekende ten slotte zuchtend de loyaliteitsverklaring. Inwendig kon ik inmiddels wel juichen. Onbedoeld en ongevraagd werd ik in één klap bevorderd tot martelaar. Waar ik anders maanden, zo niet jaren voor nodig zou hebben gehad om als Haagse generaal met uiterst onaangename boodschappen het vertrouwen van de mensen ook werkelijk te winnen, kreeg ik nu de kans me binnen 24 uur te profileren zoals ik wilde overkomen. Het was een buitenkansje. Patijn voegde me toe: 'Je mag je handen dichtknijpen dat je zo wegkomt.' Dat gevoel had ik eveneens, maar dan om andere redenen.”

Martelaar was Couzy ook vorige week weer. Terwijl hij in Amersfoort met veel ceremonieel en in aanwezigheid van de militaire top het commando van de landstrijdkrachten aan zijn opvolger overdroeg, schitterde de politieke leiding door afwezigheid. Minister Voorhoeve was onmisbaar in de ministerraad (die blijkbaar niet zonder hem kon beslissen over gewichtige zaken als de benoeming van een nieuwe commissaris der koningin in Flevoland), terwijl staatssecretaris Gmelich Meyling de hele dag in beslag werd genomen door het huwelijk van zijn zoon. Zo toonde de politiek zich weer eens van haar meest 'oprechte' kant.

Aan de andere kant, gewoon zeggen dat ze geen trek hadden in het afscheid van 'dwarsligger' Couzy konden Voorhoeve en Gemelich Meijling natuurlijk ook niet. Want dan zou ongetwijfeld weer de vraag worden gesteld waarom men hem dan al die tijd op zijn plek had laten zitten. Overigens hadden Voorhoeve en Gmelich Meijling op de dag dat Couzy afscheid nam wel weer de tijd gevonden om een verklaring op te stellen waarin in ferme bewoordingen afstand werd genomen van zijn op schrift gestelde herinneringen. Een mooier afscheidscadeau van zijn politieke bazen had Couzy zich niet kunnen wensen.

Couzy is weg, maar is daarmee nu ook de problematische verhouding tussen militaire en politieke leiding op het departement van Defensie opgelost? Het zou naïef zijn te veronderstellen dat de moeilijkheden van de afgelopen jaren geheel en al zijn terug te voeren op de persoon Couzy. Daarvoor is er in het verleden te veel voorgevallen tussen de politieke leiding van Defensie op het Plein in Den Haag en de generaals elders in het land. Voor een deel zit de spanning tussen militaire en politieke top zelfs in het systeem ingebakken. In de Verenigde Staten is dat niet anders, zoals de journalist Bob Woodward enkele jaren geleden in zijn boek De Machthebbers beeldend beschreef.

Er is de eeuwige strijd tussen de ijzervreters en de afwegers. Couzy zelf schrijft dat militairen doorgaans weinig gevoel hebben voor politiek, “wat niet zelden leidt tot een eenzijdige kijk op de verhoudingen en mogelijkheden”. Een politicus, en dus ook de minister van Defensie, staat nu eenmaal altijd voor een veel bredere belangenafweging dan de leidinggevende militair. Maar hoe staat het, andersom, met het gevoel van de politiek voor het militaire apparaat? Dan blijkt dat de Nederlandse militairen het niet echt hebben getroffen. Nederland kent vooral véél ministers van Defensie. Sinds de naam van het departement in 1959 werd omgedoopt van ministerie van Oorlog in dat van ministerie van Defensie is de leiding in handen geweest van niet minder dan negentien verschillende ministers. Ter vergelijking: in dezelfde periode werden maar acht ministers van Buitenlandse Zaken versleten. Nergens is de ministeriële omloopsnelheid zo groot als op het departement van Defensie.

Een causaal verband tussen de snelle wisselingen en de aard van het departement is er niet echt. Buitenechtelijke relaties, politieke problemen vanwege vorige functies, benoemingen op voor het land belangrijke posten, er zijn tal van niet-departement gebonden redenen geweest waarom een minister van Defensie voortijdig vertrok. Maar toch is het duiventil-karakter van het ministerie niet echt bevorderlijk voor het vertrouwen van de militairen in de eigen politieke leiding.

Helemaal moeilijk wordt het als die politieke leiding laat weten “volstrekt allergisch te zijn voor uniformen” (minister Vredeling), in gewetensnood raakt als gevolg van een nieuw wapen (minister Kruisinga), persoonlijk gebukt gaat onder de dreiging van oorlog (minister Ter Beek tijdens de Golf-crisis) of louter is aangesteld om het partijpolitieke probleem rond de kruisraketten op te lossen (minister De Ruiter). Een minister van Defensie met een militaire achtergrond is echter ook niet de oplossing. Zo had de uit de luchtmacht afkomstige minister Den Toom eind jaren zestig de grootste moeite met de vermaatschappelijking van de krijgsmacht die zich uitte in discussies over haardracht en het afschaffen van de groetplicht. Ook hij hield het dan ook maar één kabinetsperiode vol.

Er is het altijd wankele evenwicht tussen het 'apparaat' en de politiek. Het verschijnsel-Couzy is in feite niet meer dan een uiting van de gescheiden verantwoordelijkheden - de politieke en de militaire - die elkaar soms hardhandig tegenkomen. Maar het echte probleem is dat het spanningsveld, zoals Couzy in het slotwoord van zijn boek schrijft, òf wordt ontkend òf wanneer wordt getracht het met organisatorische oplossingen te ontladen.

Er zou natuurlijk ook gewerkt kunnen worden aan verbeteringen van de structuur waardoor conflicten tussen politieke en militaire leiding in elk geval worden geminimaliseerd. Maar zolang vanuit de politiek wordt geredeneerd dat het bestaande probleem niet meer is dan een probleem-Couzy is de kans op werkelijke verbetering nihil.

    • Mark Kranenburg