Keihard getraind, toch gefaald

Een van de moeilijkste problemen van coaches is de dosering van training en het voorkomen van overbelasting. In de voorbereiding naar Atlanta heeft een atleet zich eerst uit de naad moeten werken om de olympische limiet te halen. Is dat eenmaal gelukt, dan volgt een keiharde training. Maar in plaats van beter te worden, gaan de prestaties soms plotseling achteruit. Rust zou in zo'n geval een simpele en vaak afdoende remedie zijn. Maar in de aanloop naar een groot toernooi gunt een atleet zich daarvoor niet altijd de tijd.

Om de trainingsbelasting langzaam naar een optimum te kunnen opvoeren, is tussendoor voldoende rust vereist. Een sporter moet hersteld zijn van de vorige training alvorens een nieuwe, zware inspanning te doen. Bij overtraining krijgt een lichaam niet voldoende tijd om de belasting volledig te verwerken. Lokaal uit zich dat in een spier- of peesblessure, of in de afbraak van eiwitten omdat vet- en koolhydraatverbranding niet voldoende energie meer kunnen leveren. Dit soort overbelasting is snel duidelijk en gaat met enige rust weer over.

Moeilijker detecteerbaar is het zogeheten overtrainingssyndroom, waarbij niet alleen processen in de spier worden ontregeld, maar ook in het afweersysteem. Voor het onderkennen van dit syndroom is het volgens de Italiaanse wielrenbegeleider dokter Michele Ferrari - omstreden vanwege zijn niet onder stoelen of banken gestoken manier van werken met farmaceutische middelen - fundamenteel om de atleet door en door te kennen. Om dat te bereiken gaat de medicus in de winter zes weken met zijn sporters op stap. Hij leert de atleten de signalen zelf vast te stellen omdat, zo predikt Ferrari, elke verstoring in het gedrag een teken van overbelasting kan zijn. Moeheid is zo'n teken. Als een atleet bij het opstaan, tegen zijn gewoonte in, geen zin heeft om te gaan trainen, of als hij geen eetlust heeft, of als zijn polsslag geen 40 maar 55 is, of als hij zich nerveus voelt en slecht slaapt, dan kunnen dat allemaal signalen zijn dat de sporter aan rust toe is.

Daarnaast kent een trainer objectieve gegevens die dat kunnen staven. Het is een slecht teken wanneer bij grotere inspanning de hartslag niet of nauwelijks omhoog wil. Daarnaast zijn uit bloedmonsters aanwijzingen te halen. Uiteindelijk is het niet één signaal dat volledige zekerheid geeft, het is het hele mozaïek van gegevens waaruit de conclusie volgt dat een atleet moe is en moet rusten. Dit klinkt nogal onwetenschappelijk uit het land waar wetenschap en sport zo goed zijn geïntegreerd. Prof.dr. H. Kuipers, hoogleraar aan de faculteit Gezondheidswetenschappen van de universiteit Maastricht, geeft hiervoor de verklaring: “Toen ik twintig jaar geleden met onderzoek begon, dacht ik dat alles te meten was. Overtraining is een van die dingen die je wat bescheidener maken. Het is niet eenvoudig te detecteren”.

Oncontroleerbaar

In Maastricht zijn niet alleen trainingsonderzoeken met mensen, maar ook met paarden gedaan. Kuipers prefereert paarden omdat ze beter te controleren zijn. “Om effecten te kunnen meten zijn onderzoeken over een lange tijdsperiode nodig. Met mensen is dat moeilijk. In het laboratorium doen ze vaak nog wel wat je ze opdraagt, maar daarbuiten zijn ze oncontroleerbaar. Paarden laten zich gemakkelijker en over langere perioden volgen”.

Gedurende negen maanden onderzochten de Maastrichtenaren de gevolgen van loopbandtrainingen bij paarden. Een dag duurtraining - 20 minuten bij een hartslag van 140 - werd afgewisseld met een dag zware intervaltraining, waarbij periodes van intensieve inspanning bij een hartslag van 200 werden afgewisseld met rustperiodes. Na 187 dagen was er nog geen spoor van verminderde prestatie. De intervaltraining werd opgevoerd door sprints van 60 seconden in te voegen. Omdat ook dat niet tot overtraining leidde, moesten de paarden vanaf dag 261 de duurtraining bij een hartslag van 180 verrichten. Tien dagen later merkten de onderzoekers de eerste verandering bij de dieren.

Tijdens het onderzoek maten de fysiologen alles in bloed en spieren waarvan ze veronderstelden dat het enige aanwijzing zou kunnen geven voor veranderingen in het lichaam. Kuipers: “Ammoniak, ureum en creatinine als afbraakprodukten van een verstoorde stofwisseling in de spier. Verder het spierenzym creatinekinase en de hormonen testosteron en cortisol. De verhouding van de laatste hormonen is lang gezien als een betrouwbare maat voor overtraining. Maar uit ons onderzoek bleek die verhouding niet betrouwbaar, omdat beide een van elkaar onafhankelijk dag- en nachtritme vertoonden”.

“Maar ook de andere parameters gaven geen juiste indicatie voor overtraining, want we zagen pas veranderingen als de prestaties van de dieren al een week achteruit waren gegaan. In die week vertoonden de dieren wel gedragsveranderingen. Ze gingen bijten en schoppen, werden obstinaat, hadden moeite met het voltooien van alle opdrachten en gingen minder eten. Dit soort niet wetenschappelijke, subjectieve signalen geven wellicht een betere indicatie dan de gemeten parameters. De enige fysiologische verandering die wij, trouwens als eersten, als aanwijzing voor overtraining konden meten is een lichte verhoging van de gemeten nachthartslagfrequentie”.

Hopelijk levert de wetenschap in de toekomst betrouwbare detectiemethoden voor de herkening van overtraining. Voorlopig moeten trainers en atleten zich toeleggen op het herkennen van subjectieve signalen, zoals een veranderende eetlust. In het buitenland is het volgens Kuipers inmiddels goed gebruik om met vragenlijsten te werken. “Atleten moeten hun trainingszin en de uitvoering van alle oefeningen bijhouden. Laten ze een geplande oefening weg, dan kan zoiets simpels al een signaal van overtraining zijn”.