In Liefde Bloeyende

J.H. Leopold (1865-1925)

Om mijn oud woonhuis peppels staan

'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'

een smalle laan

van natte blaren, het vallen komt.

Het regent, regent eender te horen

'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'

en altijd door en

den treuren uit, de wind verstomt.

Het huis is hol en vol duisternis

'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'

gefluister is

boven op zolder, het dakgebint.

Er woont er een voorovergebogen

'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'

met lege ogen

en die zijn vrede en rust niet vindt.

Er wordt over Leopold vaak allemachtig hooggestemd gedaan, hij lijkt soms 'n soort hogepriester en visionair voor oude besjes die zich de voorlaatste ondergang van het avondland nog herinneren, maar dit gedicht van hem is eigenlijk gewoon 'n liedje.

Je kan het voor je uit neuriën. Een beetje melancholiek is het wel, met zijn verwijzingen naar een woonhuis dat oud is, een laan die smal is, blaren die nat zijn, gefluister op zolder en lege ogen. Hier heerst de schemertoestand van de weemoed, het gaat om het uur van de twijfel en de muil van de nacht - het is er van de eerste tot de laatste regel herfst en grijs. Het regent buiten, binnen spookt het en de man met de lege ogen loopt krom. Maar er zit ook een haast vrolijk en dynamisch staccato in de zinnen, de woorden buitelen over elkaar, met speelse rijmen - 't lijkt verdomd Gezelles Het mezennestje is uitgebroken wel, zangwijs alom verkrijgbaar. Het doorslaggevende bewijs echter dat het hier om een liedje gaat is de regel

'mijn lief, mijn lief, o waar gebleven'

een regel die tussen aanhalingstekens staat, om hem duidelijk van de rest af te zonderen, en die in ieder couplet in gelijkluidende vorm wordt herhaald. Een refrein dus. Waar een refrein is, is een lied.

Hoeveel spitsvondige bladzijden zijn er niet geschreven over het feit dat Leopold Om mijn oud woonhuis peppels staan als eerste regel meegaf aan dit gedicht in plaats van Om mijn oud woonhuis staan peppels! Zoals het er nu staat - met die ongewone inversie - klinkt het een beetje kinderlijk en een beetje onbeholpen, en oei, oei, Leopold mag voor geen goud kinderlijk en onbeholpen zijn. Hele geheimen werden er achter vermoed. Het stond er zo prominent, dat peppels staan - achter die opzet moest iets schuilen.

Ik hou het er op dat Leopold er enkel de suggestie van een lied mee heeft willen versterken. Zo'n omkering is voor de aanhef van liedjes heel gebruikelijk. Een scheepje in de haven landt. Een karretje op de zandweg reed. Als goede kinderen slapen zacht.

Leegte, gemis, naderende herfst - het wordt hier allemaal gesuggereerd en aangestipt, niet uitgelegd.

Het vallen komt.

Met zo'n korte snik kan Leopold volstaan. In de tweede strofe heeft hij het nog eens over de monotonie van de regen en in de derde over de sombere leegte van het huis, maar in beide gevallen gaat het allang om iets anders - om geluid. Horen, verstomt, gefluister, dat zijn de sleutelwoorden in die strofen. De wind gaat liggen om te luisteren, want de regen zingt en de zolder zingt. De regen zingt droevig en de zolder zingt dreigend.

In die atmosfeer, en pas in de slotstrofe, wordt de bewoner van het huis geïntroduceerd, de bewoner van een eindtijd (herfst) en van een eindstation (spookhuis):

Er woont er een voorovergebogen

- iemand 'met lege ogen en die zijn vrede en rust niet vindt'. Iemand dus die op niets hoopt en niettemin troosteloos is. De dichter zelf.

Dat het de dichter is weten we uit de eerste regel. Zelfs door het gepeppel kan het ons niet zijn ontgaan dat daar stond: om mijn oud woonhuis. Verder komt er in het gedicht geen ik meer voor en dat in de slotstrofe de dichter zich - in een soort vogelvlucht - als het ware zelf ziet rondwaren draagt extra bij aan het gevoel van treurnis en eenzaamheid. Droeviger kan een liedje wel niet zijn.

De aanhalingstekens staan er niet alleen om het refrein te benadrukken, ze duiden er vanzelf ook op dat hier iemand wordt geciteerd. Op die manier wordt tussen het mijn uit mijn oud woonhuis (eerste regel) en het mijn van mijn lief (tweede regel) meteen al een splitsing aangebracht. Het gaat weliswaar om het oud woonhuis en het verloren lief van een en dezelfde mij, maar door die aanhalingstekens weet de dichter al van het allereerste begin af de schijn op te houden of het iemand anders is die in zijn gedicht loopt te zingen. Ze komen ook nooit meer samen, de eigenaar van het huis en de eigenaar van het gemis: aan het slot blijft de man van het refrein, nog steeds zingend over 'mijn lief', derde persoon enkelvoud, een vreemdeling in eigen woning.

'Er woont er eentje.' In mijn oud woonhuis.

Dat schrijnt, zo'n slot. Wat ons bijblijft is het beeld van een schuwe man die door laan en huis zijn gruwelijke refrein voor zich uit neuriet, het beeld van een zonderling die zingend door een godverlaten woning strompelt, maar ook van iemand - nietwaar - die een liedje loopt te zingen in een liedje.

'Mijn lief, mijn lief, o waar gebleven', het vormt het refrein binnen de harmonie van een groter lied, of liever: de schrille kreet die snijdt door de disharmonie van een kosmos.

    • Gerrit Komrij