'Geld en dekens, maar geen Karremans 2'

ROTTERDAM, 11 JULI. Het hoofdstuk over de val van Srebrenica, vandaag een jaar geleden, is nog niet af, maar één conclusie willen Nederlandse historici alvast wel trekken: voor idealisten in de Haagse politiek was het een nuttig lesje in bescheidenheid.

“Onze padvindersgeest heeft daar kennis gemaakt met de grote wereld, vol boze lieden die zich niet door een Jan Pronk willen laten verzoenen”, zegt Maarten van Rossem, hoofddocent moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Utrecht. “Wij zullen ons nu wel tien keer bedenken voor we Karremans 2 uitzenden.”

“Het Nederlandse gevoel van voortreffelijkheid is pijnlijk ontmaskerd”, zegt E.H. Kossmann, emeritus-hoogleraar moderne geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. En zijn Utrechtse collega H.W. von der Dunk zegt: “'Srebrenica' zal een smet blijven werpen op het Nederlandse blazoen.”

De drie historici geloven niet dat de val van de moslim-enclave, de moordpartijen daarna, en het geschutter van politici en militairen Nederland “een trauma” zou hebben bezorgd. Maar zij verschillen van mening over de vraag hoe persoonlijk Nederlanders zich 'Srebrenica' aantrekken.

“Het leger voelt zich onrechtvaardig behandeld, maar ik heb niet de indruk dat 'Srebrenica' de modale Nederlander uit de slaap houdt”, zegt Van Rossem. “Het idee dat we collectief zijn afgegaan is onzinnig.”

Kossmann bespeurt in Nederland weliswaar “een neiging tot zelfbeschuldiging”, maar gelooft niet dat die erg diep ziet. Het optreden van Dutchbat maakte volgens hem “een weinig heroïsche indruk”, maar in het Nederlandse zelfbesef betekent het “niet meer dan een rimpeling”. “Pogingen om zogenaamde nationale discussies te beginnen over de 'het Nederlandse falen' in Nederlands-Indië zijn ook nooit van de grond gekomen”, zegt Kossmann.

Toch heeft Srebrenica Nederland in de achilleshiel getroffen, gelooft Von der Dunk. “In morele kwesties loopt Nederland internationaal iets harder. Wij zijn weliswaar een klein land, maar wij ontlenen ons zelfrespect juist aan het feit dat wij zo'n net, humaan en moreel hoogstaand volk zijn dat geweld verafschuwt. Precies in dat opzicht heeft Nederland in Srebrenica een belabberd figuur geslagen. Nederland is daarvoor niet in de eerste plaats verantwoordelijk, maar wel gezichtsbepalend geweest.”

Nederland wil in de wereld graag een woordje meespreken, meent Von der Dunk. Het “promoten van Nederland” is in het zakenleven, op cultureel gebied en aan de universiteiten normaal geworden. Het uitzenden van Dutchbat naar Bosnië was volgens hem een poging van parlement en politiek om Nederland internationaal meer gezicht te geven. Na een aantal patente mislukkingen - zoals de met aplomb aangekondigde kandidaturen van de politici Ruding, Lubbers en Kooijmans voor hoge internationale posten en bijvoorbeeld ook het afschieten van Amsterdam als gaststad voor de Olympische Spelen - kon Nederland volgens Von der Dunk wel een succesje gebruiken.

“Maar het werd een flagrant echec”, zegt hij. “De Nederlandse koopman had zijn waar aangeprezen, maar die bleek door en door slecht te zijn, net als de tomaten, maar dan moreel. Van alle Nederlandse debacles op internationaal gebied is 'Srebrenica' verreweg het ernstigst, omdat daar niet alleen prestige verloren is gegaan. Die kwestie zal nog lang doorwerken.”

Door alle weeffouten in de VN-missie in Bosnië, die zich afspeelde in een niemandsland tussen hulpverlenen en oorlogvoeren, was het lot van Srebrenica misschien tot op zekere hoogte voorspelbaar. Nederlandse politici kunnen nu in elk geval niet volhouden dat ze niet zijn gewaarschuwd voor de risico's van het uitzenden van Dutchbat, zeggen Van Rossem, Kossmann en Von der Dunk. Maar het blijft de vraag of de politici alsnog onder ogen willen zien dat zij Dutchbat in een “rampzalige situatie” hebben gebracht.

Nederland is niet echt tot introspectie in staat, zegt Von der Dunk omdat het “de afgelopen tweehonderd jaar nauwelijks ervaring heeft met geweld” en misschien ook wel omdat het minder cynisch machtspolitiek bedrijft en eerder door een moralistisch filter naar de wereld kijkt, zegt hij. In de Verenigde Staten is een “openlijk debat gevoerd over Amerikaanse schandaligheden uit de Vietnam-oorlog”, maar in Nederland ziet Van der Dunk zoiets niet gebeuren. In plaats daarvan schuiven politici elkaar onderling de bal toe.

“We hebben nog te weinig inzicht in wat er precies in Srebrenica is gebeurd, maar het lijkt me in elk geval te vroeg om met zekerheid 'het is niet onze schuld' te zeggen. Ik vond dat Elizabeth Rehn [de speciale rapporteur van de VN-commissie voor de rechten van de mens] zich nog keurig uitdrukte toen ze zich vorige week voor het VN-tribunaal in Den Haag afvroeg of de Nederlandse VN-soldaten in Srebrenica 'hun macht niet alleen voor hun eigen bescherming hebben gebruikt',” aldus Von der Dunk.

Volgens Kossmann heeft Nederland met de juichende ontvangst van Dutchbat “een afschuwelijke regiefout gemaakt”. Nederland had duidelijk moeten maken dat “Dutchbat met de staart tussen de benen is afgedropen”, zegt hij maar hij vindt het “nuttig nog aangenaam nu een nationaal peccavi [ik heb gezondigd]” uit te spreken.

Van Rossem heeft vooral te doen met de Nederlandse militairen, die zich “na de Koude Oorlog het oor van de vredestaken hebben laten aannaaien”. Nederlandse blauwhelmen hebben in Srebrenica mogelijk fouten gemaakt, maar volgens hem was het in de eerste plaats onverstandig “om van een paar honderd lichtbewapende, slecht voorbereide individuen, omringd door halfgare halsafsnijders” te verwachten dat ze de vrede zouden bewaren.

“De partijen wilden niet uit elkaar gehouden worden en ze hebben zoals te verwachten misbruik gemaakt van de VN”, aldus Van Rossem. “Met zulke riemen viel eenvoudig niet te roeien.”

Van Rossem gelooft wel dat 'Den Haag' voortaan zal handelen naar de gebeurtenissen in 'Srebrenica'. “Het is misschien wel een nuttige les geweest: eerst nadenken. Je zag dat kortgeleden bij de discussie over de vraag of Nederland moest bijdragen aan een VN-macht in Burundi. De reactie is nu veel terughoudender: wel geld en dekens, maar, bij god, geen Karremans.”

    • Hans Steketee