Geen media-show voor leiders

Begint de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE) tanden te krijgen? Tijdens hun gisteren afgesloten topontmoeting in de hoofdstad van Kameroen, Yaoundé, hebben de regeringsleiders van het continent twee resoluties aangenomen die enkele jaren geleden nauwelijks bespreekbaar zouden zijn geweest.

Zo hebben zij zich voorgenomen om in geval van onvoldoende voortgang van het vredesproces in Liberia bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties aan te dringen op de oprichting van een oorlogstribunaal om de Liberiaanse krijgsheren te berechten. Ook schaarden zij zich achter plannen een interventiemacht in Burundi te stationeren om daar een eind te maken aan de strijd tussen Hutu-guerrillastrijders en het geheel uit Tutsi's bestaande leger.

De atmosfeer in de OAE lijkt veranderd. Tot enige jaren geleden zagen Afrikaanse leiders de topontmoetingen van de organisatie vooral als een mogelijkheid om zichzelf in het zonnetje te zetten. Vertegenwoordigers van de staatsmedia zaten vooraan in de vergaderzaal om de wijze woorden van de politieke leider - en de enthousiaste reactie daarop van het plenum - vast te leggen en direct door te seinen aan het thuisfront. In zo'n atmosfeer paste het niet om de problemen van het continent aan de orde te stellen: het was feest, met de politiek leider als stralend middelpunt.

Inmiddels is de politieke cultuur in Afrika veranderd. Met de komst van het meerpartijenstelsel op het continent is de politiek leider minder onaantastbaar en heilig geworden dan in de periode van de eenpartijregimes. Een media-show voor de president zoals vroeger ligt daarom niet meer zo voor de hand. Ook kan een serieuze discussie van de problemen van Afrika binnen de OAE niet langer vermeden worden.

Afrika is nog steeds niet in staat hardnekkige conflicten op te lossen. De internationale gemeenschap is steeds minder bereid zich te bemoeien met de problemen in Afrika, dat ook economisch achterblijft, omdat na het einde van de Koude Oorlog het continent zijn strategische betekenis heeft verloren. Als Afrika zijn in de ogen van het Westen onoplosbare problemen op wil lossen zal het dat toch vooral zelf moeten doen. En aangezien de OAE de enige pan-Afrikaanse organisatie is, is zij, aldus velen in Afrika, een geschikt forum om de problemen van het continent aan de orde te stellen.

De topontmoeting van de OAE in de hoofdstad van Tunesië, Tunis, gaf - en dat paradoxaal genoeg omdat zij mislukte - een grote stimulans aan de hervorming van de organisatie. De top had plaats in juni 1994 toen de massaslachtingen in Rwanda onder Tutsi's en gematigde Hutu's in volle gang waren. De internationale gemeenschap was niet van zins om aan die moordpartijen een einde te maken: de VN besloten zelfs om het aantal VN-soldaten in het land te verminderen en gaven daarmee vrij baan aan de Rwandese Hutu-extremisten. Maar ook de leiders, die allen in Tunis verklaarden zeer geschokt te zijn door het bloedvergieten, konden het bloedvergieten niet beëindigen. Een vaag plan voor een staakt-het-vuren liep op niets uit, evenmin als 'onafhankelijke bemiddeling' onder leiding van een van de grote beschermheren van de Hutu-extremisten, president Mobutu van Zaïre. Veel Afrikanen, geschokt door de Rwandese genocide, waren teleurgesteld dat 'hun' organisatie niets aan de slachtpartijen had kunnen doen. De OAE moest meer worden dan alleen een praatclub om in de toekomst zulke rampen te vermijden, zo was de conclusie.

Of zij in staat zal zijn een rol te spelen in Burundi is overigens zeer de vraag. Binnen de organisatie hebben zowel Hutu's als Tutsi's medestanders. Daarnaast bestaat er onenigheid over de interventiemacht. Burundiërs, zowel de Hutu-politici als de Tutsi's, willen dat de interventiemacht onder Burundisch opperbevel komt te staan, de bemiddelaar in het Burundische conflict daarentegen, de Tanzaniaanse ex-president Nyerere, wil dat de macht onafhankelijk is. Geld om de interventiemacht te financieren heeft de OAE nauwelijks. De uitrusting en het vervoer van de soldaten moeten door het Westen worden betaald. Ondanks dit alles markeert de resolutie over Burundi een stap weg van de traditie dat het bij de OAE alleen om woorden gaat en niet om daden.

Hetzelfde geldt voor de resolutie over Liberia. Of het tribunaal voor de krijgsheren er zal komen is zeer de vraag, maar de resolutie geeft wel aan dat de tijden waarin de leider leidde en het volk leed, voorbij zijn. De opvatting dat politiek leiders verantwoordelijk zijn voor wat er met hun volk gebeurt, wint ook binnen de OAE terrein.

Misschien nog sprekender dan de motie was een bijeenkomst in de marge van de top waar een groep Afrikaanse kinderen een aantal leiders toesprak. “Presidenten van Afrika, hoe voelt u zich als u kinderen ziet lijden door de oorlog”, zo vroeg een gedemobiliseerde kindsoldaat uit Oeganda. De regeringsleiders van de OAE-landen, nog steeds meer gewend aan lof dan aan kritiek, keken verbouwereerd toe hoe hun de mantel werd uitgeveegd. De jongen kreeg echter wel applaus.

    • Bernard Bouwman