De opbloei van het Nederlandse openluchttheater; BUITEN SPELEN

De populariteit die het openluchttheater voor de oorlog kende is nog niet terug, maar de dertig Nederlandse buitenpodia trekken jaarlijks ruim 200.000 bezoekers. Slechts in een enkele plaats staan professionele acteurs op het podium. Het theater is buiten rauwer en het Grote Gebaar komt 'natuurlijk' over.

Bij de eerste repetities was het op het toneel ongeveer vijf graden boven nul. Regelmatig daalde er een regenbui neer op de hoofden van de spelers van openluchttheater De Pinkenberg in Velp. Tot dan toe hadden zij het stuk van dit seizoen, De Kaukasische Krijtkring van Bertolt Brecht, in een zaal ingestudeerd. Maar de eerste voorstelling stond voor 1 juni op het programma, en daarom werd vanaf april onder de blote hemel gerepeteerd. De spelers dik ingepakt, regisseuse Elsbeth Rozenboom onder een stapel dekens langs de kant.

“Het spel, de bewegingen moeten in de openlucht veel 'groter' zijn dan binnen”, legt ze uit. “Je kunt hier geen subtiel televisiedrama brengen, dat komt niet over in zo'n aan alle kanten open amfitheater.” Tijdens de première blijkt dat niet alle acteurs in Velp over de vereiste 'grote' uitstraling beschikken. Volgens het script raast er een Russische burgeroorlog door het Gelderse bos, maar op het podium is daar voor de pauze niet veel van te merken. Het acteerwerk is te ingetogen en te onbeholpen om de toeschouwer mee te slepen in de dramatische gebeurtenissen.

In het tweede deel komt daar verandering in, wanneer de zwerver Azdak zijn opwachting maakt. Nadat de grootvorst hem ternauwernood van een lynchpartij heeft gered wordt Azdak rechter. Hij hangt het dikke wetboek van strafrecht in de twee stroppen aan de galg en maakt er een schommel van. Zwierend en met wapperende haren spreekt hij daar recht wat krom is. “Ik ben bereid enig geld in ontvangst te nemen”, galmt hij voor elke rechtzaak met achteloos cynisme tegen de betrokkenen. Willem Mooijman speelt de rol met Schwung, als een Russische Falstaff, en neemt de andere acteurs op sleeptouw.

Daarbij heeft hij de omstandigheden mee, want na de pauze wordt het donker op de Pinkenberg en zorgen de brandende fakkels die het toneel omringen voor de juiste sfeer. Op de tribunes halen toeschouwers de universele wapenuitrusting van de openluchtliefhebber tevoorschijn: dekens, drank en muggensticks. Het is bijna middernacht als de voorstelling eindigt. Nadat de fakkels zijn gedoofd daalt het publiek de berg af, over het zandpad en langs het drankkraampje dat hier 'openluchtfoyer' heet.

Het amfitheatertje op de Pinkenberg dateert - zoals wel meer Nederlandse openluchttheaters - uit de crisistijd van de jaren dertig, toen het onder premier Colijn werd aangelegd als werkverschaffingsproject voor werklozen. Daarmee behoorde De Pinkenberg tot de tweede golf natuurtheaters die de poorten opende. De eerste openluchttheatertjes waren tijdens en direct na de Eerste Wereldoorlog geopend in Brabantse plaatsen als Oisterwijk (1915), 's-Hertogenbosch (1922) en Uden (1926). Doorgaans waren het katholieke geestelijken die het initiatief namen tot toneelvoorstellingen. Op de Kleinseminaries waar de priesters werden opgeleid, was sinds de jaren 1850 veel aandacht besteed aan zaken als verbale expressie en dramatische vorming. Voorgangers moesten immers meer in hun mars hebben dan alleen Gregoriaans. De R.K. Toneelbond (1914) leunde dan ook stevig op het bloeiende seminarietoneel.

Na de Tweede Wereldoorlog was de bühne nog vaak een verlengstuk van het altaar, getuige de oprichting van 'natuurtheater' De Kersouwe in Heeswijk-Dinther in 1945. Hier waren de Norbertijner paters uit de plaatselijke abdij de drijvende kracht achter de toneelclub, die toentertijd de eerste mogelijkheid voor gemengd theater was. Bisschoppelijke voorschriften stonden geen samenspel van mannen en vrouwen in de zaal toe, maar wel in de open lucht - mits voor zonsondergang. Hofschrijver van De Kersouwe werd Anton Coolen, die in Heeswijk-Dinther op het - eveneens door paters bestierde - gymnasium had gezeten en wiens toneelstukken in de jaren vijftig werden opgevoerd. Samen met de onderwijzer Jan Naaykens uit Hilvarenbeek, auteur van zo'n vijftig openluchtspelen, was Coolen de bekendste outdoor-dramaturg van het land.

Het was de tijd dat ook de meer bekende acteurs acte de présence gaven in de diverse openluchttheaters. Bij hun toneelgezelschappen werkten ze vaak op 'zevenmaandscontracten', waardoor ze genoodzaakt waren 's zomers in het struweel bij te klussen. Verbeterde sociale voorzieningen hebben dat later overbodig gemaakt, zodat openluchttheaters nu doorgaans met amateurs werken.

In de jaren zestig en zeventig ging het slecht met het openluchttoneel door de opkomst van culturele centra, televisie en sportclubs. “We hadden een kleine tachtig theaters in Nederland”, vertelt F.J.M. Schreiner, secretaris van de Vereniging Nederlandse Openluchttheaters, “maar in die tijd is ongeveer de helft daarvan verdwenen. In Bergen hebben ze er een ski-helling van gemaakt. Het theater in Valkenburg raakte onherkenbaar overwoekerd met bos en planten. Er heerste een geest van 'openluchttheater in Nederland kan niet, ga toch naar Verona of naar Griekenland'. Recensies begonnen steevast met 'In het kille theater te ...”

In de loop van de jaren tachtig beleefde het natuurtheater een opleving. Er trad een aantal nieuwe, inspirerende regisseurs aan, de pr werd beter geregeld en de cultuursponsoring kwam op gang. Gretig somt Schreiner de toeschouwersaantallen op. “Momenteel komen er jaarlijks zo'n 200.000 mensen af op de voorstellingen in de openluchttheaters die bij onze vereniging zijn aangesloten - daar behoort het theater in het Amsterdamse Bos nog niet eens toe. Dat is gemiddeld vijfhonderd mensen per voorstelling. Dat moet een normaal theater nog maar zien te realiseren, zeg ik altijd.”

Er zijn nog ongeveer dertig Nederlandse openluchttheaters in gebruik, waarvan de meerderheid gelegen is in de bossen aan de rand van kleinere gemeentes. Het seizoen loopt grofweg van half mei tot begin september. De meeste openluchttheaters concentreren zich daarbij al lang niet meer op een serie uitvoeringen van 'grote' toneelstukken, al was het maar omdat ze geen vaste toneelverenigingen in huis hebben. Theaters als in het Haagse Zuiderpark, het Amsterdamse Vondelpark, Amersfoort of Bloemendaal zijn de hele zomer één groot moveable feast waar popgroepen, kindertoneel, doedeljazz of het Weesper Trekvaart Mannenkoor elkaar afwisselen. In veel kleinere plaatsen in Nederland geeft men de voorkeur aan regionaal getint theater, het liefst een klucht en als het kan in dialect.

In natuurtheater Hoessenbosch, in het Noordbrabantse Berghem bijvoorbeeld, is het publiek tevreden met de première van In het Witte Paard. Het is een Tiroler operettestuk, bewerkt voor toneel, waarbij regelmatig gelachen en meegezongen kan worden. Liederen als 'De hemel kan niet mooier zijn' en 'Eine Kuh so wie du' gaan er in als koek bij het Berghemse publiek, dat bij andere krakers massaal begint mee te klappen. Openluchttoneel is hier een familie-uitje, dat moet concurreren met braderieën en dorpsfeesten. Geen wonder dat er grote bierpullen en glazen wijn over het podium worden gedragen, en dat zich opvallend veel figuranten vervoegen aan de tafels van herberg 'In het Witte Paard'. Het mooie weer op deze zondagmiddag is volgens het programmaboekje geen toeval. Vanmogen is een worst gebracht naar het beeldje van de Heilige Clara in het Clarissenklooster in het naburige Megen, opdat deze beschermheilige voor zonneschijn zou zorgen.

Het stuk gaat over een Berlijnse fabrikant die met zijn zuster en dochter met vakantie gaat naar een hotel in Tirol, alwaar hij zijn aartsvijand en diens advocaat tegen het lijf loopt. Even lopen de spanningen op, maar naar beproefd eind-goed-al-goed-recept eindigt het verhaal met een handjevol verlovingen en verzoeningen. In de Berghemse bossen kan de voorstelling op open doekjes rekenen.

Bets van Leest speelt al dertig jaar in de Hoessenbosch. De sfeer in het openluchttheater noemt ze “romantisch en relaxed. Je zit middenin het bos, je hoort de vogels. Voor mij is dit toneel vooral een ontspannen culturele hobby, een sociale gebeurtenis. In een natuurtheater als in Heeswijk-Dinther lopen wel semi-beroepsmensen rond, maar daar willen wij niet eens mee werken. Hier staat de gezelligheid voorop.” Bij het horen van die laatste woorden fronst regisseuse Van Kilsdonk haar wenkbrauwen. “Nou, nou, je moet eerst goed spelen.” Maar Bets van Leest is onvermurwbaar: “Dat staat in de statuten.”

In een paar openluchttheaters in Nederland worden steevast stukken van wat zwaarder kaliber opgevoerd. In het Drentse Diever speelt de plaatselijke vereniging sinds de Tweede Wereldoorlog elk jaar een stuk van Shakespeare, wat het zanddorp de bijnaam 'the Dutch Stratford' opleverde. In openluchttheater De Doolhof in Tegelen, Noord-Limburg, wordt om de vijf jaar het passiespel opgevoerd. Niet minder dan driehonderd spelers vertolken dan tegen de achtergrond van de paleizen van Herodes en Pilatus het lijdensverhaal van Jezus Christus. Op de twintig voorstellingen kwamen vorig jaar in totaal 64.000 toeschouwers af.

En dan is er natuurlijk het theater in het Amsterdamse Bos, het enige openluchttheater dat uitsluitend met professionele acteurs werkt. In de afgelopen elf zomerseizoenen hebben Shakespeare, Von Kleist, Marlowe en Camus op het repertoire gestaan, en dit jaar voert het gezelschap van 12 juli tot en met 24 augustus vijfendertig maal De Kaukasische Krijtkring van Brecht op. Toevallig hetzelfde stuk als waarmee het Velpse openluchttheater het seizoen opende.

Frances Sanders, initiatiefneemster en regisseuse van het theater in het Amsterdamse Bos, springt tijdens de repetities op en af het reusachtige toneel dat voor deze gelegenheid is opgebouwd. Als er weer eens met veel geraas een vliegtuig overkomt, lost ze met haar duim en wijsvinger een denkbeeldig schot op de onruststoker. “Je mag het heel groot doen, misschien nog wel groter”, roept ze in de stromende regen naar Roeland Fernhout, die de rol van het achterdochtige vrouwtje Annico speelt.

“Buiten breng je rauwer theater”, verklaart Sanders haar voorliefde voor het openluchttheater. “Een acteur kan hier een groot, theatraal gebaar maken zonder dat het er overdreven uitziet - zoals binnen. Voor veel spelers werkt dat verslavend. Ze hoeven zich niet langer in te houden. Een ander voordeel van openluchttheater is dat door de open sfeer de heiligheid van het theater af gaat. Je krijgt allemaal dezelfde regen over je heen, en als er eens een vliegtuig over komt dan mag het publiek ook iets tegen elkaar zeggen.” Het is dan ook niet de vaste culturele elite die hier neerstrijkt. Uit een publieksonderzoek is gebleken dat, net als in de meeste andere openluchttheaters, de helft van het publiek in het Amsterdamse Bos uit mensen bestaat die anders nooit naar toneel gaan.

Voorstellingen die er dit jaar uitspringen:

Amsterdamse Bos (020-6383847), De Kaukasische Krijtkring van Bertolt Brecht, 17 juli (première) t/m 24 aug (alle dagen behalve zo en ma), 21u30. Bij twijfelachtig weer kan vanaf 18u gebeld worden met 020-6433286 om te vragen of het doorgaat.

Diever (0521-591167), Winteravondsprookje van William Shakespeare, 7,9,10,14,16, 17, 21, 24, 28, 31 aug en 4 & 7 sept 20u30 u

Heeswijk-Dinther (0413-291150), Anatevka, 16, 23 & 30 aug 20u30, 11, 18, 25 aug en 1 sept 15u.

Jorwert (058-2501838), In Sinterske Opera, 23, 24, 28, 31 aug 20u30. Friese vertaling van De Dreigroschenoper van Brecht en Weill, 4, 6, 7, 13, 14 sept.

Oosterhout (0162-454459), Abele Spelen, 7, 8, 14, 15 sept. 15u.

Someren (0493-496554), Manon van de Bronnen, 14 juli 14u30, 10-13 & 29 juli 20u.

Het programma van de overige openluchttheaters staat in een folder die is op te vragen bij de heer F.J.M. Schreiner, tel. 070-3872401