De ondergang van de thermometervogel

Darryl Jones e.a.: The Megapodes, Megapodiidae. Deel 3 in de serie Bird Families of the World, Oxford University Press, 1995. Geïll., 262 pag. Prijs: circa ƒ 100,-. ISBN 0-19-854651-3.

Het kan gebeuren dat u tijdens een wandeling door de kustbossen van oostelijk Indonesië plotseling oog in oog komt te staan met een soort Veluwse grafheuvel. De enorme hoop, met een diameter van wel vijftien meter en een hoogte van ruim twee manlengtes, bevat echter geen stoffelijke overschotten, maar enkele eieren. Het is een broedheuvel, opgeworpen door het Reinwardt's grootpoothoen. Deze vogelsoort en de eenentwintig andere soorten grootpoothoenders laten hun eieren uitbroeden door de temperatuur van de omgeving in plaats van het zelf te doen en bekommeren zich niet of nauwelijks om hun nageslacht. Grootpoothoenders, behorend tot de familie der Megapodiiae, zijn daarmee uniek binnen de vogelwereld.

Voor het uitbroeden van de eieren worden maar liefst drie verschillende warmtebronnen benut: de warmte die ontstaat als gevolg van rottingsprocessen in hopen vochtig organisch afval, vulkanische warmte in de buurt van hete bronnen en zonnewarmte, meestal op zandstranden. De thermometervogel is het bekendste voorbeeld. Elk jaar maakt deze Australische vogel een hoop van rottende bladeren, waarbij de moeilijk ontbindende bladeren van de Eucalyptus boom worden vermeden. De eieren worden uitgebroed door de broei in de bladhoop. Daarbij zijn de vogels in staat om temperatuurschommelingen waar te nemen en hierop te reageren door de hoop verder af te dekken dan wel open te krabben.

In het boek The Megapodes beschrijven Darryl Jones, René Dekker en Cees Roselaar de vaak bizarre biologie van de grootpoothoenders. Het boek is het derde deel van een zojuist begonnen serie Bird Families of the World, waarin al delen over neushoornvogels en pinguïns zijn verschenen. De schrijvers, een Australiër en twee Nederlanders, geven uitgebreide overzichten van soortenindeling, morfologie, verspreiding, gedrag, broedgewoonten en ecologie. Vervolgens worden alle tweeëntwintig soorten meer of minder uitgebreid behandeld. Fraaie platen van de hand van Ber van Perlo laten alle soorten in kleur zien, vaak met de kuikentjes vertederend achter de volwassen vogels aanlopend - wat in het echt dus nooit gebeurt.

Rijke traditie

Omdat grootpoothoenders in Zuidoost-Azië en een deel van Australië voorkomen en veel soorten zich tot Indonesië beperken, past dit boek in de rijke Nederlandse traditie van het Indische natuuronderzoek. Zowel Jones als Dekker publiceren al meer dan tien jaar over grootpoothoenders en de drie auteurs hebben zich met andere specialisten verenigd in de Megapode Specialist Group, waarvan Jones de secretaris is en Dekker de voorzitter. Door de uitgave van een nieuwsbrief en het regelmatig houden van symposia heeft de Specialist Group ervoor gezorgd dat de familie van de grootpoothoenders goed bekend is en een goede 'pers' heeft. Dat is geen overbodige luxe: veel van de tweeëntwintig soorten grootpoothoenders zijn inmiddels bedreigde tot ernstig bedreigde diersoorten.

Doordat grootpoothoenders worden gegeten (ze zijn verwant aan kippen), doordat de eieren worden geoogst, doordat door de mens geïntroduceerde roofdieren (vooral honden) op de vogels jagen en doordat de leefgebieden vernietigd worden, voor veel soorten het einde nabij. Recent onderzoek naar de oogst van de eieren van het Moluks grootpoothoen heeft aangetoond dat de pessimistische kijk van Jones e.a. op het voortbestaan van deze soort terecht is. De populatie van Ternate, een vroeger verspreidingsgebied, bestaat al niet meer.

Het Polynesisch grootpoothoen (Megapodius pritchardii) wordt bedreigd als gevolg van het geringe verspreidingsgebied: deze soort komt uitsluitend voor in een oerwoudrestant op het kleine vulkanische eiland Niuafo'ou, een van de eilandjes van het koninkrijk Tonga. Er zijn er nog maar zo'n tweehonderd in leven. Pogingen om de soort te ondersteunen door eieren te begraven op nabijgelegen eilanden lijken succesvol, maar deze resultaten zijn te vers om in The Megapodes te staan. Nog zeldzamer is Bruijn's boshoen, die uitsluitend voorkomt op het eiland Waigeo bij Nieuw Guinea. Er zijn maar vijftien exemplaren van de soort bekend, alle in museumcollecties. Nadat het laatste exemplaar in 1938 werd verzameld is er nooit meer één gezien, hoewel mondelinge informatie van dorpsbewoners lijkt aan te geven dat Aepypodius bruijnii nog op Waigeo rondloopt.

The Megapodes geeft niet alleen inzicht in de uiterst boeiende gedragingen van een groep tropische hoenderachtigen, het laat ook weer zien hoezeer Zuidoost-Azië van belang is voor de mondiale biodiversiteit. Vooral het eerste deel van het boek, met de algemene hoofdstukken, is ook voor de niet-gespecialiseerde lezer aantrekkelijk. Wie leest dat één van de tweeëntwintig soorten ook buiten het broedseizoen pleegt te copuleren met als doel de monogame relatie te verstevigen, kan moeilijk een glimlach onderdrukken.

    • Jelle W.F. Reumer