Cynisme hindert allochtone zending

Met hier wonende christenen die geen kerkdiensten in het Nederlands maar in het Frans, Engels of Armeens houden, is men in Nederland al eeuwenlang vertrouwd. Toch valt er in de Nederlandse geschiedenis geen periode van zo'n bont geheel van christelijke gemeenschapsvorming en kerkplanting aan te wijzen als juist nu.

Dit blijkt uit een recente studie van de Utrechtse theoloog, prof. dr. J.A.B. Jongeneel, dominee dr. R. Budiman van de Indonesisch Nederlands Christelijke Kerk en dr. J.J. Visser van het hervormde zendingsinstituut in Oegstgeest, over buitenlandse christenen in Nederland. Zij hebben echter geen overzicht gegeven van alle allochtone christelijke kerken, maar uitsluitend die welke uit de Derde wereld afkomstig zijn. Wat blijkt is dat God hier ten lande niet alleen in het Fries, Frans, Duits, Engels en Nederlands en in het Armeens, Deens, Fins, Georgisch, Grieks, Italiaans, Kroatisch, Pools, Portugees, Roemeens, Russisch, Servisch, kerkslavisch, Spaans en Zweeds wordt aangesproken maar ook in allerlei niet-Europese talen. Zo zijn er ook kerkdiensten en godsdienstoefeningen in het Amhaars, Arabisch, Chinees, Hindoestaans, Japans, Koptisch, Maleis, Perzisch, Tigriniaans, Twi, Vietnamees en in de Xhosa/Zulutaal om maar enkele vreemde talen te noemen.

Volgens Jongeneel zijn er tweehonderdduizend niet-Westerse christenen in Nederland. Ongeveer de helft van hen hoort tot de rooms-katholieke ritus. Zij hebben geen afzonderlijke kerken omdat de rooms-katholieke kerk zelfstandige gemeenschapsvorming van allochtone christenen met eigen kerkdiensten niet toestaat. Wel bestaat er voor deze katholieken van elders de zogeheten allochtonenzielzorg, waarvoor circa vijftig beroepskrachten beschikbaar zijn.De andere honderdduizend niet-Westerse christenen zijn verdeeld over een breed scala van allerlei protestantse kerken en andere godsdienstige groeperingen. De eerste grote stroom Derde-wereldchristenen naar Nederlands ontstond door de dekolonisatie van Indonesië: veel Indische Nederlanders kwamen naar Nederland evenals noodgedwongen ook tal van Molukkers. Later volgden Antilliaanse en Surinaamse christenen en uit Turkije veel Syrisch-orthodoxen en Armeniërs. De eerste Pakistani en Iraniërs arriveerden in de jaren zeventig, enige jaren later veel Vietnamese bootvluchtelingen alsook Ethiopische en Eritrese christenen. De Ghanezen die in Nederland circa dertig kerkgenootschappen hebben gesticht, kwamen in de jaren tachtig uit Ghana en uit Nigeria.

Veel uitheemse christelijke kerken hebben vooral het oog op zichzelf, op de belangen van de eigen geloofsgemeenschap, gericht en hebben geen enkel contact met de van oudsher in Nederland gevestigde kerken. Andere niet-Westerse kerken zijn partners met Nederlandse kerkgenootschappen geworden. Toch is er volgens Jongeneel c.s. van een ware invasie van allochtone kerken in de Nederlandse Raad van Kerken nog geen sprake; daar is deze oecumenische raad nog veel te Hollands voor en zijn veel allochtone kerken nog te weinig in de Nederlandse samenleving geïntegreerd.

Een ander moeilijk punt voor christenen-van-elders is dat Europa en Nederland zo sterk geseculariseerd zijn en post-christelijk zijn geworden. Het leven hier zou gekleurd worden door cynisme, polarisatie en atheïsme waar een organisatie als Gate (the gospel from Africa to Europe) die twee jaar geleden in Nairobi is opgericht om Afrikanen ertoe te brengen in Europa zending te beoefenen, nauwelijks tegenop kan. Wat zendingsarbeid betreft zijn ook de activiteiten van de Korean Reformed Church in the Netherlands, waarvan nogal wat predikanten aan de Vrije Universiteit in Amsterdam hebben gestudeerd, opmerkelijk. Het evangelisatiewerk van deze protestantse Koreaanse kerk is namelijk vooral gericht op de vele Koreaanse adoptiekinderen in Nederland. Geprobeerd wordt deze kinderen te bereiken en hun Koreaans taal- en bijbelonderwijs te geven.

Behalve de Molukse kerken kampen vrijwel alle christelijke gemeenschappen en kerken van Aziatische, Afrikaanse en Midden- en Zuidamerikaanse oorsprong met facilitaire tekorten, zegt Jongeneel. Ze willen allemaal graag een eigen kerkgebouw, een eigen kantoor en een eigen sociaal centrum hebben, maar door geldgebrek zijn er slechts weinige in staat om zulke dromen werkelijkheid te laten worden.