Auto-immuunziekte verrassend bestreden met antibiotica-therapie

Groningse onderzoekers hebben aangetoond dat patiënten met de ziekte van Wegener gebaat kunnen zijn bij een langdurige antibacteriële therapie. Dat is verrassend, omdat aangenomen wordt dat de ziekte van Wegener een zogenoemde auto-immuunziekte is, waarbij iemand allergisch reageert op zijn eigen weefsels.

De gebruikelijke behandeling bij dergelijke aandoeningen bestaat uit een kuur met krachtige immuniteitsonderdrukkende middelen, zoals prednison en cyclofosfamide. Uit dit onderzoek dat in het New England Journal of Medicine van 4 juli gepubliceerd is, blijkt echter dat een langdurige preventieve behandeling met het antibacteriële combinatiepreparaat co-trimoxazol de kans op het weer opvlammen van de ziekte van Wegener met 40 procent verlaagt. Gebleken is dat 31 van de 41 patiënten met deze ziekte die met co-trimoxazol werden behandeld, na 2 jaar nog steeds vrij van klachten waren, vergeleken met 23 van de 40 controle-patiënten.

Kenmerkend voor de ziekte van Wegener zijn ontstekingen (granulomen) in de luchtwegen, de bloedvaten en uiteindelijk ook de nieren. De ziekte is betrekkelijk zeldzaam (in Nederland zijn er tussen de 600 tot 800 patiënten), maar wel zeer ernstig; onbehandeld leidt de aandoening in de meeste gevallen binnen enkele maanden tot de dood. Bij patiënten met de ziekte van Wegener komen antilichamen voor die gericht zijn tegen bepaalde eigen afweercellen (antineutrophil cytoplasmic antibodies). Omdat uit verschillende onderzoeken is gebleken dat luchtweginfecties gepaard gaan met een toename van deze auto-antilichamen, is er geopperd dat de ziekte van Wegener wellicht uitgelokt wordt door een bacterie. Er zou sprake zijn van een soort kruisreactie: antilichamen die gericht zijn tegen een bepaald bacterieel eiwit, zouden lichaamseigen eiwitten gaan beschadigen, omdat die toevallig in structuur een overeenkomst vertonen met dat bacteriële eiwit. Zo kan men verklaren waarom antibacteriële therapie de kans op het opvlammen van de ziekte van Wegener verkleint.

In Groningen werd co-trimoxazol voor het eerst in een placebo-gecontroleerd klinisch onderzoek toegepast. Nieuw was deze aanpak echter niet. De Amerikaanse internist Richard DeRemee schrijft in een commentaar op het Nederlandse onderzoek hoe hij al in 1975 per toeval ontdekte dat co-trimoxazol een gunstig effect kan hebben op de ziekte van Wegener. Toen hij een patiënte met een ernstige vorm van deze aandoening die ook een urineweginfectie met Escherichia coli vertoonde, behandelde met co-trimoxazol, bleek tot zijn verbazing de ziekte van Wegener volledig onder controle te komen. Daarna heeft DeRemee nog meerdere andere patiënten met co-trimoxazol behandeld, bij velen, niet allen, met succes. Hij wijst overigens op het merkwaardige feit dat co-trimoxazol het enige antibacteriële middel is dat werkt; andere antibiotica hebben naar zijn ervaring geen effect! DeRemee oppert daarom dat de werkzaamheid van co-trimoxazol bij de ziekte van Wegener mogelijk niet berust op een antibacterieel effect, maar op een nog onbekende immuunonderdrukkende werking. Hoe het ook zij, co-trimoxazol lijkt een bruikbaar middel om de ziekte van Wegener te onderdrukken en het is best mogelijk dat een vergelijkbare aanpak ook bij andere auto-immuunziekten werkt, zoals bij de veel minder zeldzame darmziekte van Crohn.