Afvalverwerking over de grens

Voor afval bestaat geen Europa zonder grenzen. Het moet in beginsel binnen het land worden verwerkt waar het is geproduceerd. Slechts in uitzonderingsgevallen verleent het ministerie van VROM een vergunning voor export naar het buitenland. Dit is een duidelijke regeling, als tenminste vast staat wat afval is en wat niet.

Dat laatste is echter een vraagstuk waarover afvalverwijderaars, milieuactivisten en ambtenaren van het ministerie van VROM hardgrondig met elkaar van mening verschillen.

Die discussies over wat afval is, lijken muggenzifterij, maar er zijn grote financiële belangen mee gemoeid. Nergens zijn de milieueisen voor afvalverbrandingen strenger dan in Nederland en in Duitsland. De kosten van de technische voorzieningen om uitstoot van schadelijke stoffen bij vuilnisverbranding te voorkomen zijn ook hoog. Vandaar dat de kosten van afvalverbranding - tussen de tweehonderd en driehonderd gulden per ton - in Nederland dikwijls meer dan het dubbele zijn van de kosten in België, Frankrijk of Groot-Brittannië. Voor een afvalverwijderaar kan het dus aantrekkelijk zijn dat iets niet als afval wordt aangemerkt, maar als een gewoon produkt dat in het Europa zonder binnengrenzen vrij mag worden vervoerd.

Icova in Amsterdam, een dochter van de grote afvalverwijderaar Waste Management Nederland, maakt van droog bedrijfsafval jaarlijks 40.000 ton RDF (Refuse Derived Fuel). In dat RDF zit veel papier verwerkt, dat kantoren niet hebben gescheiden van ander afval. Icova beschouwt die geperste korrels RDF niet als afval, maar als een exportprodukt. De afvalverwijderaar wordt daarbij niet belemmerd door het ministerie van VROM. In Groot-Brittannië wordt RDF opgestookt in elektriciteitscentrales. In plaats dat betaald wordt voor verbranding van het afval in een Nederlandse verbrandingsoven (die ook elektriciteit levert), wordt nu geld verdiend door het tot RDF verwerkte afval aan een Britse elektriciteitscentrale als brandstof te verkopen. De stichting Afval & Milieu vindt echter dat RDF gewoon als afval behandeld moet worden. Bij verwerking in een Nederlandse afvalverbranding wordt het behandeld volgens de strengste milieunormen. Bij verbranding in een Britse electriciteitscentrale gelden minder strenge milieunormen. Maar volgens een technicus van het Afval Overleg Orgaan is het bij verbranding van RDF in een Nederlandse elektriciteitscentrale (twee centrales zijn hiervoor geschikt) of in een cementoven niet anders : de normen voor uitstoot van schadelijke stoffen zijn bij deze installaties minder streng dan bij vuilverbrandingen.

De strenge eisen waaraan afvalverbrandingen moeten voldoen zijn een gevolg van de onrust die jaren heeft bestaan over het gevaar van dioxine dat uit de schoorstenen van deze ovens kwam. Maar die dioxine komt volgens het Afval Overleg Orgaan evengoed vrij bij verbranding in cementovens. In België wordt overwogen RDF in plaats van (duurdere) kolen voor deze ovens te gebruiken. Het debat beperkt zich echter niet tot de vraag of RDF afval is of niet. De grote afvalverzamelaars - de Nederlandse vestigingen van de Amerikaanse afvalverwerkers Browning-Ferris Industries (BFI) en Waste Management - voeren ook over andere stoffen een moeizame discussie met het ministerie van VROM. De afvalondernemers hebben de indruk dat hun gedachten over wat afval is en wat niet voorlopig nog ver verwijderd zijn van het standpunt van VROM. Het ministerie weigert regelmatig om toestemming te geven voor export van chemisch afval, waarvan de verwerking in het buitenland goedkoper is. Dikwijls gaan de afvalverzamelaars tegen zo'n beslissing in beroep bij de Raad van State. Soms wint VROM, soms verliest het. Veel hangt af van de mate waarin een afvalverzamelaar de Raad van State kan overtuigen dat verwerking van de chemische stof in een goedkoper buitenland ook op verantwoorde wijze gebeurt.

De milieubeweging is zeer kritisch over de pogingen van afvalverzamelaars om met hun handel de grens over te gaan. Gemeenten en provincies hebben financiële redenen om er niet enthousiast over te zijn. Ze hebben in dure verbrandingsinstallaties geïnvesteerd. Als daar tegen betaling afval wordt verbrand, verdienen gemeenten en provincies. Als deze capaciteit niet wordt benut, kost het ze geld. Volgend jaar komt de Nederlandse verwerkingscapaciteit op 4,5 miljoen ton afval. Het aanbod aan afval zal dan drie miljoen ton zijn. Al het vuil dat de grens over gaat, vergroot de Nederlandse overcapaciteit en maakt de last van de investering in afvalverbranding zwaarder.

    • Ben van der Velden