Aardgasruzie dateert van 1988

ROTTERDAM, 11 JULI. Het tussenvonnis van het Internationale arbitragehof luidt het einde in van een wonderlijk probleem dat Nederland en Duitsland al sinds 1988 bezighoudt en dat geleidelijk uitgroeide tot een conflict. Overigens zonder dat daarbij sprake was van stemverheffing.

Aan de basis van het conflict ligt een oud geschil tussen Duitsland en Nederland over de precieze ligging van de staatsgrens in het Eems-Dollard gebied. Duitsland meende dat de grens langs de Nederlandse Waddendijk liep, Nederland plaatste de grens in het midden van Eems en Dollard.

Het Eems-Dollard verdrag van 1960 wees uiteindelijk een gebied aan waarin de landen voortaan gelijke rechten zouden hebben. In 1960 kwam er een regeling voor de visserij, in 1962 bovendien een voor delfstoffenwinning. Dat was urgent geworden, omdat in 1959 de gasbel van Slochteren was ontdekt. Een uitloper van 'Slochteren' strekt zich uit onder Eems en Dollard. Bepaald werd dat elke staat recht had op de helft van het aardgas in het betwiste gebied. Concessiehouder voor gaswinning aan de Nederlandse zijde van de grens was de NAM (Shell en Esso), concessiehouder aan Duitse zijde was de onderneming Brigitta (eveneens Shell en Esso). Waar de concessies elkaar overlapten was voortaan sprake van de 'common area'.

In 1966 sloten NAM en Brigitta - met instemming van de Duitse en Nederlandse overheid - een samenwerkings- en bedrijfsvoeringsovereenkomst die bepaalde dat de NAM het aardgas voor Brigitta zou winnen. Regelmatig zouden beide partijen bekijken hoeveel aardgas er precies in de common area zat.

De gaslevering aan Duitsland begon al in hetzelfde jaar en is 23 jaar lang doorgegaan, dus tot in 1989. Wat de kwestie achteraf gecompliceerd maakte, is dat aanvankelijk niet fysiek aardgas werd gewonnen in Eems en Dollard maar dat Duitsland gas geleverd kreeg uit de Slochteren-bel op basis van een geschat aardgasvoorkomen onder het Eems-Dollard-gebied. Regelmatig zijn nieuwe schattingen gemaakt van de hoeveelheid aardgas onder het betwiste gebied en op grond daarvan werden de overeenkomsten in 1974, 1978 en 1981 aangepast. Na de inzet van geavanceerde onderzoekstechnieken (3D-seismiek) rees in 1988 het vermoeden dat er veel minder gas aanwezig was dan steeds was aangenomen. Aanvullende boringen bevestigden dit beeld. Na enige aarzeling stemde de Duitse overheid in juli 1992 in met de constatering dat door de jaren heen 20 miljard kubieke meter gas teveel was geleverd.

Een conflict ontstond over de compensatie voor de overbelevering. De gasprijs, die gekoppeld is aan de olieprijs, heeft tussen 1966 en 1989 zeer grote schommelingen ondergaan. De geamendeerde bedrijfsvoeringovereenkomst tussen NAM en Brigitta van 1984 bevatte een regeling (de Loyalty Clause) voor eventuele overbelevering, maar Brigitta stelde dat deze niet geldig was. Partijen werden het niet eens en daarom besloot de NAM - conform de overeenkomst met Brigitta - de kwestie in 1991 ter arbitrage voor te leggen aan het Internationale Arbitragehof. In 1993 werd bekend dat Brigitta van oordeel was dat het te veel ontvangen gas in natura (met gas) kon worden terugbetaald. Dat laatste is in het tussenvonnis van vorige week afgewezen: er moet 'cash' betaald worden. Tegelijk is uitgesproken dat de 'Loyalty Clause' wel degelijk geldig is. Of Nederland zich daarmee winnaar mag noemen in het conflict staat nog te bezien. In 1993 werd duidelijk dat het ministerie van Economiche Zaken als redelijke compensatie voor de overbelevering een bedrag van 10,5 miljard gulden had becijferd. Vooralsnog is dit geld niet binnengehaald.

    • Karel Knip