Waarom op de FM zo weinig te horen is

Wie in de Franse hoofdstad Parijs de FM-radioband afzoekt, hoort ongeveer veertig stations. Van alles zit er bij: stations met Arabische muziek, met muziek en gebabbel voor luisteraars uit de Antillen, joodse stations, en een ruime keus aan allerlei commerciële muziekstations.

De Franse staatsomroep Radio France gaat in al dit geweld vrijwel ten onder, maar draagt aan de radiokakofonie zaken bij, waar geen commerciële of idealistische zender aan toekomt: een zender voor klassieke muziek, een zender voor cultuur, een 24-uurs-nieuwszender en een Franse radiozender voor het buitenland, die als service aan de betalers van de omroepbijdrage ook in Frankrijk zelf te beluisteren is.

Vergelijken we daarmee de Nederlandse situatie: op de FM-band zijn slechts een handjevol zenders te ontvangen, voor een deel in handen van commerciële exploitanten die daarvoor aan de overheid veel geld betalen. Op sommige uren draagt de publieke omroep aan het radiolandschap een nieuwszender bij, overdag ook een zender voor klassieke muziek. De Wereldomroep is via de FM in Nederland niet te beluisteren.

De reden van dit verschil is schijnbaar technisch: de FM is in Frankrijk in essentie plaatselijk georganiseerd, met zwakke zenders in alle steden van enige betekenis, hetgeen het mogelijk maakt zonder problemen in elke stad de FM-band met tientallen zendertjes te bevolken - zonder dat er problemen ontstaan met FM-zenders in omliggende landen en internationale afspraken over het gebruik van frequenties. In Nederland daarentegen bestrijken, afgezien van een enkel lokaal station, FM-zenders steeds een groot deel van het land, en vallen derhalve wel onder die internationale aanspraken. De door de wijze van organisatie dus schaarse etherfrequenties worden door de overheid aan enkele commerciële radio-exploitanten, terwijl vele anderen gegadigden niet aan bod komen.

De werkelijke oorzaak van het verschil tussen de Franse en Nederlandse FM is politiek. De Franse situatie is het resultaat van de anarchistische opkomst van tientallen, aanvankelijk illegale, radios privés in de jaren zeventig, die onder president François Mitterrand in de jaren tachtig als instituut zijn gelegaliseerd. In Nederland heeft zo'n druk vanuit de maatschappij op de organisatie van de FM-radio ontbroken. En dus heeft de overheid de FM-band georganiseerd volgens hetzelfde principe als de rest van het Nederlandse omroepwezen: met een scherp oog voor de mogelijkheden van beperking van omroepsignalen - dit alles ter bescherming van de aloude omroepverenigingen, die binnen het parlement over een stevige lobby beschikken.

Het Franse voorbeeld laat zien dat maatschappelijke druk op omroepgebied wel degelijk een zegenrijk effect kan hebben. De FM-band in Frankrijk is in zijn totaliteit zeker veel meer afgestemd op de gevarieerde behoeften van de hedendaagse luisteraar, dan die in Nederland. En de Franse publieke omroep vervult op die FM-band een zinvoller rol dan de Nederlandse.

Die maatschappelijke druk ontbreekt echter in Nederland: de enige druk op het publieke omroepbestel in Nederland is door de geschiedenis heen uitgeoefend door commerciële ondernemers, buitenlandse in het geval van de televisie, en de eigenaren van commerciële radiostations op de Noordzee. Wanneer de wettelijke mogelijkheden om deze concurrentie van het bestel te verbieden ontoereikend bleven, bleek de concurrentie steeds te leiden tot een grootscheepse desertie van kijkers- en luisteraars uit het bestel. Maar tot een hervorming van het publieke bestel leidde die concurrentie niet.

Eerder lijkt het bestel door de desertie van zijn publiek versterkt uit de strijd te komen. Een markant voorbeeld daarvan is het onlangs verschenen rapport van de commissie-Ververs: niet alleen laat dit document, dat pretendeert de toekomst van de publieke omroep voor langere tijd uit te stippelen, het bestel bijna volledig intact. Maar bovendien lijkt het enige hervormingsvoorstel van deze commissie, omroepverkiezingen, nog eens te zullen worden geneutraliseerd door tegenvoorstellen van de aloude kongsie tussen omroepbestuurders en politici uit enkele politieke partijen.

Dat ziet er niet vrolijk uit: vanuit de politiek valt inzake de hervorming van het omroepbestel weinig te verwachten, en van enige maatschappelijke druk tot hervorming is geen sprake.

Een suggestie op deze plaats vorige week tot burgerlijke ongehoorzaamheid middels het rommelen met de betaling van de omroepbijdrage heeft precies 0,0 reacties opgeleverd. Dat is weinig verrassend: over radio en televisie wordt sinds jaar en dag vooral veel passief geklaagd. En het klagen is bovendien de laatste jaren nog sterk afgenomen, omdat de diverse commerciële radio- en televisiezenders zo ongeveer de helft van het publiek kennelijk afdoende bedienen, zodat dit publiekssegment, vooral geïnteresseerd in verstrooiing, zich over wat de publieke omroep doet of laat nauwelijks nog zorgen maakt.

Een mooie paradox: de komst van commerciële omroep, die de publieke omroep zo lang met alle middelen heeft geprobeerd tegen te houden, betekent in werkelijkheid de redding van het publieke bestel, omdat de commerciële concurrentie het meerendeel van de kritiek op dat bestel heeft geneutraliseerd. Dat mag niet zo blijven.