Schatgraven naar joods vluchtkapitaal

Sinds jaar en dag doen geruchten de ronde dat Zwitserse banken fabelachtige vermogens beheren van joden die tijdens het Hitler-regime zijn vermoord. Vorig jaar zomer werd dat gegeven, waarschijnlijk op de golven van de vijftigjarige herdenking van het einde van de Tweede Wereldoorlog, opnieuw actueel.

Door de sindsdien ontstane goudkoorts rijzen de cijfers over herrenlose Vermögen de pan uit. De Zwitserse bankiers spreken van hooguit vijftig miljoen gulden, hun tegenspeler, het Joods Wereld Congres (JWC), claimt miljarden guldens. Beide partijen zeggen goede gronden voor hun uitspraken te hebben. Vast staat alleen dat de bankiers de sleutel in handen hebben.

De Zwitsers hebben zich nooit uitgesloofd om de beroofde joden de helpende hand te bieden. Integendeel. In 1952 liet de Zwitserse regering, onder zware druk van het buitenland en een aantal joodse organisaties, een enquête houden onder een aantal beroepsverenigingen die direct met het probleem te maken hadden. Zou Zwitserland een wettelijke regeling moeten treffen voor mensen die hun vermogenswaarden in Zwitserland veilig hadden gesteld en die op grond van hun ras, geloof of politieke overtuiging werden vervolgd? Dus niet alleen slachtoffers van Hitlers antisemitisme, maar ook vrijmetselaars, Jehova's getuigen en de slachtoffers van de Russische Oktoberrevolutie.

De drie belangrijkste beroepsorganisaties van juristen, notarissen en accountants lieten naar aanleiding van de enquête weten geen mening in deze kwestie te hebben. De Bankiersvereniging op haar beurt wenste de noodzaak van een wettelijke regeling niet te erkennen met als argument dat de kosten de baten verre zouden overtreffen. Daarnaast wierpen de banken hun meest geduchte wapen, het bankgeheim, in de strijd. Een opmerkelijke manoeuvre want het bankgeheim werd immers niet ingesteld om de belangen van de banken maar juist die van hun cliënten te beschermen. Ook de beroepsorganisaties beriepen zich, in navolging van de banken, op hun beroepsgeheim.

De rust keerde al vrij spoedig terug, maar in 1963 kwam er onder druk van Harald Huber, rechter en voormalig parlementslid van de sociaal-democratische partij, dan toch een regeling - niet in de vorm van een wet, wat voor de hand zou hebben gelegen, maar in de vorm van een 'besluit' dat in Zwitserland een geldigheidsduur heeft van tien jaar. Het was een compromis: de slachtoffers waren voorlopig tevreden gesteld (met een dode mus, zoals later zou blijken) en de narigheid voor de zich belaagd voelende Zwitserse banken en beroepsorganisaties zou slechts van beperkte duur zijn.

Banken, verzekeringsmaatschappijen, advocaten, notarissen, belastingconsulenten, kortom iedereen (ook stro- en vertrouwensmannen werden daartoe gerekend) die ook maar enige kennis kon hebben van vluchtkapitaal werd verzocht daarvan aangifte te doen. Het ging daarbij om tegoeden in Zwitserse of andere valuta, goud en andere edele metalen, juwelen, vorderingen, effecten en obligaties, bankpapier en andere betaalmiddelen, kunst- en andere waardevolle verzamelingen, licenties, concessies, pensioenen, lijfrentes en andere claims jegens verzekeringsmaatschappijen, pandrechten, opties enzovoort.

Zo veelbelovend als de regeling er op het eerste gezicht uitzag, zo teleurstellend waren de resultaten: het totaal van de 'slapende bankrekeningen' en de inhoud van de particuliere bankkluisjes beliep volgens een opgave van de regering slechts tien miljoen gulden. De verwachtingen waren destijds hoog gespannen, maar het merendeel van de zevenduizend gegadigden kreeg nul op het rekest. Het geld waarvoor geen eigenaar of erfgenaam was te vinden, werd ter beschikking gesteld aan een aantal Zwitserse joodse organisaties en het Rode Kruis. Het aanvankelijke plan om de Israelische regering daarmee te verblijden strandde op protesten van de Arabische landen.

Sinds vorig jaar zomer houdt het Joods Wereld Congres (JWC) zich weer intensief met het probleem van het slapend joods vermogen bezig. Onder zware pressie zagen de Zwitserse bankiers zich begin mei van dit jaar genoodzaakt een commissie van onafhankelijke deskundigen in te stellen. Het JWC en de bankiers leveren beide de helft van experts. Vorig jaar zomer waren de banken al schoorvoetend akkoord gegaan met een bankombudsman die het onderzoek zou moeten uitvoeren. Dankzij niet aflatende druk, vooral door de machtige joodse lobby in Amerika, werd tot dit compromis besloten. Door de wereldwijde publiciteit waren de Zwitserse banken beducht geworden voor aantasting van hun goodwill. Deze keer gaat het, anders dan in 1963, uitsluitend om joods vermogen waarvan de uittocht uit Duitsland al in de jaren dertig begon, toen langzaam het besef doorbrak welke plannen Adolf Hitler in de zin had.

Na de Kristallnacht, november 1938, kwam de vermogensvlucht in een stroomversnelling en werd steeds vaker voor geld en kostbaarheden een veilige haven in Zwitserland gezocht - niet in de laatste plaats wegens de bijzondere bescherming die het Zwisterse bankgeheim bood en dat zich later, paradoxaal genoeg, tegen hen zou keren. Veel wijst erop (er zijn in deze affaire uit de aard der zaak meer vermoedens en aanwijzing dan harde bewijzen) dat met de overval van Duitsland op Noorwegen en Denemarken (9 april 1940) opnieuw een vluchtkapitaalstroom op gang kwam: dit keer niet naar maar vanuit Zwitserland naar de Verenigde Staten. Want, zo redeneerde men, als de traditioneel neutrale Scandinavische landen worden overvallen, is er alle reden aan te nemen dat ook Zwitserland dat lot te wachten staat.

Overigens is het ontstaan van de befaamde anonieme Zwitserse nummerrekeningen te danken aan het Hitlerregime dat in 1934 zware straffen invoerde ter bestrijding van kapitaalvlucht en overtreding van de (zeer strenge) deviezenbepalingen. Vele tienduizenden joden maakten van de camouflage van de nummerrekening gebruik om (veelal via tussenpersonen) hun geld en kostbaarheden in Zwitserland veilig te stellen. De eigenaars stelden meestal hun naaste familieleden niet op de hoogte van deze manoeuvre. Het was nu eenmaal een tijd waarin vrijwel uitsluitend de heer des huizes zich met de financiële perikelen bemoeide. De evidente nadelen daarvan komen nu pas aan het licht: vaak bestaan er slechts vage vermoedens van dit kapitaaltoerisme.

Thans staat het bestaan van zo'n 900 'slapende rekeningen', met een gezamenlijke waarde van ruim vijftig miljoen gulden, vast. 'Slapend' wil in dit verband zeggen dat het om rekeningen gaat die sedert 10 mei 1945 bestaan en die gedurende die laatste tien jaar niet zijn gebruikt. Dat komt er in de praktijk op neer dat de eigenaar ten minste tien jaar dood is of mag worden verondersteld dat te zijn. Hoe groot het aandeel van Nederland in deze slapende rekeningen is, weet (nog) niemand.

Dat veel joden hun vermogen in het buitenland veilig hebben gesteld staat buiten twijfel vast maar bij het hoe en waar kunnen grote vraagtekens worden gezet. Omdat zeer velen, en niet zelden hele gezinnen, Hitlers gruwelkampen niet hebben overleefd, is ook de informatie over buitenlandse bankrekeningen verloren gegaan. Dat houdt in dat vele claims op vage aanwijzingen, gevoelens of vermoedens berusten die zelden hard kunnen worden gemaakt. Op zichzelf is echter een redelijk vermoeden van het bestaan van een rekening voldoende om een aanvraag in te dienen.

Het is zeer de vraag of de speurtocht veel meer zal opleveren dan de eerder gemelde vijftig miljoen; niet omdat er geen joods vluchtkapitaal zou zijn, maar omdat men op de verkeerde plaatsen zoekt. Veel wijst er namelijk op dat in vele gevallen geld en kostbaarheden niet rechtstreeks bij een bank zijn ondergebracht, maar dat gebruik is gemaakt van tussenpersonen, vertrouwensmannen of andere constructies. Ook werden rekeningen onder pseudoniem geopend en maakte men omwille van de anonimiteit gebruik van nummerrekeningen. In beide gevallen zijn de eigenaren vrijwel onmogelijk te traceren.

Het is dus zeer de vraag onder welke naam vermogens zijn weggeborgen, àls ze al bij banken zijn ondergebracht. Indien geld en kostbaarheden op naam van een niet-joodse stroman of vertrouwensman bij een bank op rekening zijn gezet, valt er waarschijnlijk niets te bewijzen. In dat geval heeft de 'eigenaar' ('bewariër' in goed Nederlands) vermoedelijk reeds lang geleden zijn onrechtmatige rechten laten gelden zonder dat er ook maar een haan naar kraaide. Heel vaak zijn geld en kostbaarheden via advocaten, notarissen, beleggingsinstituten of andere financiële instellingen ondergebracht of in bewaring gegeven. En of dat wel of niet onder een gefingeerde naam gebeurde, vrijwel zeker is dat de persoon die in vertrouwen werd genomen de enige is die precies weet hoe de zaak in elkaar steekt. Ook in dat geval, tenzij het een goudeerlijk iemand is, bestaat er weinig kans op restitutie. Bovendien zullen de meeste van deze lieden overleden zijn - het gaat tenslotte om transacties die hoofdzakelijk voor de zomer van 1940 plaatshadden. Kortom: de zoekactie via banken biedt weinig hoop op succes. Maar ook als men de speurtocht naar de andere, hierboven genoemde terreinen zou uitbreiden, lijkt succes wegens de vele voetangels en klemmen evenmin gegarandeerd. Daar komt nog bij dat er nog andere landen behalve Zwisterland zijn die voor het gastheerschap van vluchtkapitaal in aanmerking komen. Ik noemde al de Verenigde Staten. Andere mogelijke kandidaten zijn Engeland, Spanje en Portugal; landen die vooralsnog alle buiten schot blijven.

Als men dan toch de bezem door de slapende fondsen wil halen, zou het wellicht zinvol zijn om ook eens te kijken naar wat de aanstichters en verantwoordelijken van de massamoord onder de joden zèlf in Zwitserland als appeltje voor de dorst hebben laten onderduiken. Vermoedelijk bestaat die sluimerende nazi-schat voor een deel uit geroofd joods vermogen. Met de nederlaag in het vooruitzicht besloot een aantal topfiguren uit de nazi-hiërarchie en het Duitse bedrijfsleven tijdens een geheime bijeenkomst in Straatsburg (augustus 1944) om vermogen in veiligheid te brengen. Niet alleen in Zwitserland, maar ook in het neutrale Zweden, Spanje, Portugal en Zuid-Amerika, waarbij vooral aan Argentinië moet worden gedacht. Grote sommen geld zouden door stromannen (die deels met name bekend zijn) namens de nazi-bonzen op Zwitserse nummerrekeningen zijn gedeponeerd. Er zijn meer van dergelijke bijeenkomsten als die in Straatsburg geweest.

In de National Archives te Washington liggen tal van documenten die onvermoede en fascinerende kapitaalvluchtwegen en kapitaalonderduikmethoden beschrijven. Het is overigens de vraag welke waarde men aan deze stukken mag toekennen. Absoluut vrij van schatgraverskoorts lijken de opstellers destijds niet te zijn geweest.

Dat euvel mag ook in de kwestie van het joodse vluchtkapitaal overigens niet worden onderschat. Het vermoeden van het JWC dat er grote bedragen van Holocaust-slachtoffers in Zwitserland verborgen liggen, zijn volgens krantenberichten deels gebaseerd op rapporten uit dezelfde bronnen. Overigens gaat het bij de vlucht van nazi-kapitaal ook om vermogenswaarden van allerlei aard: kunst, effecten, patenten, goud, zilver, edelgesteenten. Het Zwitserse stadje Davos scoort zeer hoog op de lijst van plaatsen waar nazi-vermogen in veiligheid zou zijn gebracht. Speciale Amerikaanse eenheden (Task forces) en de voorloper van de CIA, de OSS (Office of Strategic Studies) hebben daar in het kader van Safehaven (het opsporen van nazi-buit en vermogen overal ter wereld) uitgebreid onderzoek naar gedaan.

Ook hier stuiten we op vertrouwensmannen en intermediairs. Zo deden top-nazi's als Hermann Göring en Joachim von Ribbentrop via tussenpersonen zaken met Zwitserse banken. Göring heette in die gevallen geen Göring maar dr. Ingmann en Von Ribbentrops schuilnaam in deze dubieuze bankzaken luidde Pedro Rodriguez Panchino. Zwitserland zou voor deze 'Pedro von Ribbentrop' slechts een tussenstation zijn geweest op weg naar Brazilië waar je beter Panchino dan Von Ribbentrop kon heten.

Het JWC zou er dus op moeten aandringen de zoekacties niet tot de (Zwitserse) banken te beperken, maar ook andere mogelijke vindplaatsen in de speurtocht te incorporeren, zoals trouwens ook in 1963 is gebeurd. En voor de duidelijkheid zou daarbij ook gekeken moeten worden naar het nazi-vluchtkapitaal.