Raad acht klacht tegen columnist gegrond

ROTTERDAM, 10 JULI. In NRC HANDELSBLAD van 4 maart 1995 verscheen onder de kop 'Kringloop' in het Zaterdags Bijvoegsel Z een column van Anil Ramdas, waarin verslag werd gedaan van een ecologisch landbouwproject in Ghana. Dit project was eind jaren zeventig opgezet door de heer J.G. Spee, die met zijn familie geruime tijd leefde en werkte in dit land.

De column kwam tot stand aan de hand van beschrijvingen van een stagiair van de Tropische Landbouwschool te Deventer, die destijds een jaar bij Spee verbleef.

Spee maakte via zijn juridisch adviseur op 7 juli 1995 zijn bezwaren tegen de column aan de hoofdredactie kenbaar. Spee's verzoek om in een nieuw artikel aandacht aan zijn projecten te besteden, wees de krant af. Op het aanbod van de hoofdredactie om de column door middel van een ingezonden brief te weerleggen, ging Spee niet in.

De juridisch adviseur van Spee diende op 18 oktober 1995 een klacht in bij de Raad voor de Journalistiek tegen Ramdas en de hoofdredacteur van deze krant.

Op 5 juli 1996 besliste de Raad dat de klacht gegrond is. De Raad verzocht NRC HANDELSBLAD deze beslissing te publiceren.

In zijn beslissing overweegt de Raad, “dat aan een columnist een grote mate van vrijheid toekomt om zijn mening in scherpe bewoordingen te uiten. In de column worden de ervaringen van een stagiair met het project van klager op eigen wijze door de columnist verwoord. Dat het stuk badinerend van toon is, is op zichzelf nog niet onzorgvuldig jegens klager. Het noemen van de naam van klager en de beschrijving van de persoonlijke omstandigheden van zijn gezinsleden acht de Raad echter nodeloos grievend, temeer nu deze informatie geen enkele zelfstandige bijdrage levert aan de doelstelling die de columnist met zijn stuk voor ogen had: door middel van een zwart/wit-tekening een beeld van ontwikkelingshulp geven. Deze beschrijvingen zijn door middel van een ingezonden brief ook niet recht te zetten. Naar het oordeel van de Raad zijn in dit opzicht de grenzen overschreden van hetgeen gelet op de journalistieke verantwoordelijkheid maatschappelijk aanvaardbaar moet worden geacht.”