Nontonnen op de Pasar Malam

In recente jaren ben ik een liefhebber geworden van de Pasar Malam; ik bedoel de grootste en bekendste, die elke zomer in Den Haag wordt gehouden.

Pasar Malam betekent nachtmarkt. Vóór de oorlog in Indië mocht ik een enkele keer mee met mijn ouders naar zo'n onvergetelijk nachtelijk wonder, vol klatergoud weerkaatst in het licht van olielampjes: sieraden, speelgoed, vogelkooien, veelkleurige zeep, Chinese medicijnen in glinsterend rood en goud papier en nog duizend dingen meer, een feest van geluiden en etensgeuren waarin de geuren van klapperolie en van doerian sterk waren vertegenwoordigd.

Iets daarvan is terug te vinden op deze zichzelf als 'het grootste Euraziatische festival ter wereld' beschrijvende manifestatie op het Malieveld. Klapperolie ruik je er niet, maar wel doerian; olielampjes zijn er niet, maar glinstering genoeg, vooral 's nachts, want dan is de sfeer op zijn best. Hoeveel van wat de Haagse Pasar Malam te bieden heeft is authentiek? Lang niet alles, veel is surrogaat, maar niet hinderlijk, dat wil zeggen niet Westers surrogaat. Het nodige komt uit India, China, Ceylon, Thailand, maar dat is dan nog altijd onhollands, en daar is het in feite om begonnen. De mensen komen niet om terug te gaan naar een vroegere wereld, die is definitief voorbij, maar meer om even te ontsnappen aan de huidige, om even niet het gevoel te hebben een minderheid te zijn tussen de mensen die rijst met mes en vork eten.

Hier is de verhouding misschien fifty-fifty, maar dat is voldoende voor een onmiskenbaar exotische sfeer. Dit effect zou nog versterkt kunnen worden door het weren van muziek die teveel naar Westerse popmuziek neigt; er was tijdens deze laatste Pasar dan wel een Krontjongfestival, maar de verlangende en ingetogen klank daarvan wordt verdrongen door de gevreesde stampmuziek waarbij je elkaar alleen nog maar schreeuwend kunt verstaan. Dat is het enige storende element op de Pasar, die verder werkelijk iets heeft van een oase van Indisch gevoel, sterk genoeg om te maken dat ik nu alweer verlangend uitzie naar de volgende. Het officiële motief om er meermalen te zijn was boeken signeren bij de in Indische literatuur gespecialiseerde boekhandel Van Stockum, die op de Pasar een welvoorziene stand heeft - maar daarvoor en daarna dwaalde ik rond om te nontonnen, d.w.z. toeschouwer zijn bij van alles, de zaaltjes waar voordrachten, lezingen en filmvoorstellingen worden gegeven, de stands met Indische kunstvoorwerpen (vorig jaar kocht ik er een weliswaar niet-antieke maar toch lang niet slechte schildering op glas van de wajang-komieken Semar en Petroek, converserend aan een tafeltje), de kraampjes met authentieke Nederlands-Indische kleren (onder invloed van de tentoonstelling 'Tropenecht' van vorig jaar, waarvan nu bij Tong Tong een schitterende boekversie is verschenen) - en natuurlijk batik, gebruiksvoorwerpen (waaronder ouderwetse theebekers met deksel: jarenlang vergeefs naar gezocht) en ten slotte, de geheime hoofdzaak, de eterij.

Doerian alleen al - inderdaad geheim: van mijn vader mochten ze niet in huis komen, vanwege de lucht, mijn moeder en ik aten ze clandestien. De hele vrucht (groot en onbetaalbaar) zie je wel op markten, maar hier hadden ze doosjes met zo'n 12 pitten à ƒ 15,- onbeschrijfelijk lekker, toen ik een paar dagen later terugkwam om meer was alles al uitverkocht. Het enige waar je je toen nog mee kon troosten was doerian-ijs, op twee plaatsen op de Pasar verkrijgbaar; de smaak is werkelijk superieur, even lekker als de verse vrucht, iets ongelooflijks (vreemd dat ze in Indonesië zoiets niet proberen).

Het eten zelf krijgt op de Pasar zijn beslag in twee langwerpige tenten met dozijnen overbevolkte restaurants, maar net als in Indonesië eet je vaak het best in de warongs, kleine stalletjes, soms gespecialiseerd in maar een paar gerechten. Het meest nostalgische dat ik op de Pasar heb geproefd was kwee Poetoe, die op maar één plaats werd verkocht, tergend langzaam en inefficiënt, uren wachten terwijl oude dametjes er twintig tegelijk kochten. Het gaat hier om een gestoomde lekkernij van rijstemeel met palmsuiker en klapper, die in het land van herkomst langs de weg werd verkocht; je hoorde het wagentje al van verre door het melancholieke blaten van de stoomfluit. Kwee Poetoe is het lekkerste dat er is, dat vond ik als kind al en het bleek nog steeds te kloppen.

    • Rudy Kousbroek