Melkerts oogkleppen frustreren banengroei

Ondanks alle positieve geluiden over economische groei kampt Nederland met een schrikbarende werkloosheid. Minister Melkert wil daar veel aan doen, van 'Melkert-banen' tot strengere regels voor de bijstand. Maar volgens S.J.G. van Wijnbergen is zijn aanpak precies de verkeerde. De minister laat zich leiden door een illusoir planningsdenken. Zo creëer je geen banen, hooguit meer ambtenaren.

In wat de gotspe van het jaar moet worden heeft minister Melkert van Sociale Zaken het onlangs uitgekraaid in de Amsterdamse Balie en in deze krant: “We zijn nog nooit zo dicht bij volledige werkgelegenheid geweest als nu” (NRC HANDELSBLAD, 26 juni). Het zal je maar gezegd worden, als een van de vier Nederlanders die wel kunnen werken maar geen baan vinden. De 'brede' werkloosheid (dus inclusief bijstand, VUT, Melkert-banen etcetera) bedraagt nu rond de 25 procent van de beroepsbevolking, meer dan drie maal zoveel als in de jaren zestig.

In een verbijsterend vertoon van ideologie boven redelijkheid verdraaide Melkert de conclusies van het rapport van zijn eigen ministerie, ging hij voorbij aan alle cijfers die niet pasten bij zijn vooroordelen en wist hij zowaar nog wat te vinden wat er wel bij paste: Nederland scoort de afgelopen jaren qua banengroei inderdaad beter dan sommige andere landen. Dat dit voornamelijk komt door de explosie van deeltijdwerk en de toenemende participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt - zonder enig voordeel voor de werklozen - wordt gemakshalve vergeten, evenals het feit dat deze banengroei weer verdwijnt als men naar het aantal arbeidsuren kijkt.

In een debat over de welvaartsstaat werden de dogma's uit de tijd van Joop en Uyl weer naar voren gehaald. Arbeidstijdverkorting wordt van stal gehaald met verwijzing naar de CAO van Akzo Nobel, maar zonder te vermelden dat hetzelfde bedrijf pal na die CAO aankondigde grote aantallen arbeidsplaatsen naar Polen over te hevelen, omdat de arbeidskosten hier nu te hoog waren.

Trots meldt Melkert dat Nederland hoog scoort door onze relatief lage lonen en hoge produktiviteit. Wat hij er niet bijverteld is dat Nederland die hoge produktiviteit haalt door laaggeschoold werk weg te saneren en daarmee een kwart van het arbeidspotentieel onvrijwillig buitenspel zet. En wat is er nu zo bijzonder aan lage lonen? Het is de loonstructuur die fout is in Nederland, niet het loonniveau. Er zijn helemaal niet zo veel werkloze ingenieurs, maar verhoudingsgewijs veel te veel werklozen èn laaggeschoolde werklozen. In Nederland zijn de relatieve lonen verkeerd, niet de absolute: laaggeschoold werk is te duur en hooggeschoold werk te goedkoop.

Melkert ziet wel dat er toch iets mis is met onze arbeidsmarkt: hij citeert de laatste Sociale Nota van zijn voorganger, die eerlijk genoeg was om te constateren dat de bestaande werklozen nauwelijks profiteerden van werkgelegenheidsgroei begin jaren negentig en dat deze groei voor 90 procent ten goede kwam aan nieuwe participanten op de arbeidsmarkt. Melkerts reactie hierop is verontrustend: een uitdagende steunbetuiging voor nòg meer Melkertbanen plus het favoriete plan van extreem-rechts in de VS - dat vreemd genoeg ook de linkervleugel van de PvdA bekoort - namelijk workfare: bijstand alleen nog maar in ruil voor werk.

De steun voor Melkert-banen komt pal na een rapport van de Rekenkamer waaruit blijkt dat er van de 40.000 banen uit de plannen slechts 10.000 vervuld zijn, en dat in het merendeel van die gevallen slechts mensen zijn overgeheveld van de banenpool naar Melkertbanen, wat dus niets uithaalt voor de werkloosheid. Hieruit blijkt toch overduidelijk dat de overheid dit probleem eenvoudigweg niet kàn oplossen. Dat zal de particuliere sector moeten doen.

Dit is ook een van de twee grote verschillen met de VS: daar is het aantal banen sinds 1970 met 60 procent toegenomen, allemaal in de particuliere sector, terwijl in Europa het totaal aantal banen in die periode constant gebleven is, waarbij de banengroei in de publieke sector overeenkwam met de afname van banen in het bedrijfsleven.

De steun voor workfare voor bijstandstrekkers is helemaal onbegrijpelijk. Een werkverplichting kan alleen maar inhoud gegeven worden als er ook inderdaad werk voorhanden is. De particuliere sector gaat dat niet leveren; dat zouden ze nu immers ook al kunnen doen. Maar als 40.000 Melkertbanen niet lukken, waarom zouden dan honderdduizenden verplichte overheidsbanen voor bijstandstrekkers wèl lukken? En willen we eigenlijk wel zo'n uitbreiding van de publieke sector, die het ambtenarenbestand mogelijk verdubbelt?

Melkert zette zijn gehoor in De Balie op het spoor van de werkelijke problemen met zijn correcte mededeling dat de gemiddelde duur van een baan in de VS dezelfde is als hier. Hij had daaraan kunnen toevoegen dat de instroom van de werkloosheid hier ongeveer op hetzelfde niveau ligt als in de VS: mensen verliezen hier ongeveer even snel hun baan, en raken net zo snel werkloos als in de VS.

Toch zijn er in Nederland veel meer werklozen, en zijn die werklozen gemiddeld veel en veel langer werkloos. Dit wijst op het grote probleem: de uitstroom uit de werkloosheid is in Nederland, en trouwens in Europa in het algemeen, vele malen lager dan in de VS. Daar heeft 94 procent van de werklozen binnen een jaar weer een baan, terwijl in West-Europa, en in het bijzonder in Nederland, vaak geldt: eenmaal werkloos, altijd werkloos. Ongeveer 60 procent van de werklozen hier is langdurig zonder baan.

De radicale Amerikaanse oplossing voor dit probleem (gooi iedereen na 20 weken WW maar voor de haaien) wijst Melkert terecht af: alhoewel dit evident goede effecten heeft op zoekgedrag en werkloosheidsduur, heeft het even evident onacceptabele negatieve gevolgen voor armoede en sociale cohesie. Maar dat wil niet zeggen dat je meteen naar het andere uiterste toe moet: de centrale planning volgens Sovjet-stijl waar Melkert zo'n affectie voor heeft.

Er zijn tal van andere mogelijkheden. Een individualisering van de WW via persoonlijke spaarrekeningen, geïntegreerd met het pensioensysteem, zoals ik eerder in deze krant (11 mei) voorstelde, brengt de prikkel tot het zoeken van een baan terug, zelfs voor uitkeringstrekkers. Verder kan gedacht worden aan forse stimulering van bedrijfsscholing, invoering van een leerlingstelsel, beëindiging van het algemeen verbindend verklaren van bedrijfstak-CAO's, doelgericht onderwijs (in samenwerking met het bedrijfsleven) voor langdurig werklozen, belastingvoordelen voor laaggeschoold werk (in het bijzonder wanneer langdurig werklozen ingehuurd worden - hiermee heeft dit kabinet een begin gemaakt) en het laten meebetalen van bedrijven aan de uitkering van werknemers die ze ontslaan, enzovoorts.

Het is waar dat de welvaartsstaat niet op de helling hoeft in Amerikaanse richting; in het bijzonder wat betreft gezondheidszorg en pensioenen heeft Melkert hierover veel zinnigs te zeggen. Dat laatste is overigens zeer welkom na de uitzonderlijk kortzichtige aanval op Nederlands internationaal bewonderde pensioensysteem door het trio Linschoten (toen nog Sociale Zaken), Don (CPB) en Bomhoff (Nyfer).

Maar de nog steeds desastreuze werkloosheid in Nederland toont overduidelijk aan dat er drastische veranderingen moeten komen in (de structuur van financiële prikkels in) de WW en de bijstand. Dat is zeker mogelijk; maar de kans dat zulke hervormingen er komen wordt uiterst gering als de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om ideologische redenen verkiest met oogkleppen op rond te lopen en te zingen, zoals dr. Pangloss in Voltaire's Candide, dat alles goed is in deze beste van alle mogelijke werelden.