Loting in onderwijs is rampzalig systeem

De Erasmus Universiteiit mag een hoogbegaafde gymnasiaste niet buiten de loting om toelaten tot de studie geneeskunde. Volgens Pauline van de Ven toont dit voorbeeld aan wat er mis is met de loting: het systeem beoogt een hybride correctie op de ongelijke verdeling van talent.

Eind jaren zeventig werd ik twee jaar achter elkaar afgewezen voor de School voor de Journalistiek in Utrecht. Er was destijds maar één opleiding journalistiek in het land en deze was razend populair, niet in de laatste plaats omdat veel studenten die uitgeloot werden voor een numerus fixus-studie zichzelf in afwachting van de volgende trekkingsronde parkeerden op deze opleiding, die breed was en waar je alvast leerde schrijven. Er werd geselecteerd door een combinatie van test en toeval en ik herinner me een meisje dat Thea heette, dat door een worp met de dobbelsteen de journalistiek in werd gedreven.

Ik zeg 'in gedreven' omdat het haar droom was arts te worden, maar daarvoor werd ze uitgeloot. In ons geval was het niet symmetrisch want ik ging werken, maar je zag veelvuldig het verschijnsel van de perfect mismatch: persoon A volgde met tegenzin studie X wegens uitloting of plaatsgebrek bij Y, en persoon B volgende met tegenzich studie Y wegens uitloting of plaatsgebrek bij X. Ruilen was helaas niet toegestaan. Of dat meisje dat ik zo hevig heb benijd haar toekomstverwachting ooit nog heeft kunnen waarmaken weet ik niet. Achteraf gezien waren haar kaarten slechter dan de mijne, want de praktijk leidt wel op voor journalistiek, maar niet voor medicijnen.

Het loterijsysteem is opgezet met de gedachte dat 'iedereen gelijke kansen' moet hebben als het aantal aanmeldingen het aantal plaatsen overtreft. Zo op het oog is dat een eerlijke aanpak. Nu heeft niet iedereen dezelfde opvattingen over wat 'eerlijk' en 'rechtvaardig' is en daarom is het goed om de vraag waar het in het lotingssysteem om draait zo expliciet mogelijk te stellen. Die vraag is: is het eerlijk en rechtvaardig om de kansen van zichtbaar getalenteerde en hardwerkende kandidaten te verkleinen ten gunste van niet getalenteerde of niet zichtbaar getalenteerde, niet hardwerkende kandidaten. Dat is namelijk wat loting doet. Het systeem is niet zozeer een loterij, maar een systematische correctie op de ongelijke verdeling van talent, ijver en motivatie waarmee individuele kandidaten zijn begiftigd. Het is een vorm van nivellering. Dat is duidelijk te zien als we een toelatingssysteem gebaseerd op studieresultaten en motivatie vergelijken met het loterijsysteem. In het eerste geval worden kandidaten die blijk geven over aanleg, ijver en motivatie te beschikken zonder meer toegelaten. In het loterijsysteem wordt de zekere toelating van deze groep afgezwakt tot een gelijke of bijna gelijke kans voor iedereen. In de herverdelingsroulette van plaatsingskansen is het nadeel relatief het grootst voor de groep die voorheen de beste kansen had. Omgekeerd is het voordeel relatief het grootst voor de groep die voorheen de slechtste kansen had. Zoals zal blijken wordt dit effect in de gewogen loting wat afgezwakt, maar niet weggenomen.

Op grond van het gemiddelde cijfer op de eindlijst worden kandidaten ingedeeld in zes gewichtsklassen, van klasse A met een score van 8,5 of hoger, tot klasse F met een score van 6,5 of lager. Aan elke klasse wordt een gewicht toegekend, variërend van 2 voor klasse A tot 0,67 voor klasse F. Het aantal aanmeldingen per klasse, vermenigvuldigd met het klassegewicht, geeft het aantal 'aanspraken' voor die klasse. Deze aanspraken delen we door het totaal der aanspraken van alle klassen samen, en deze fractie is bepalend voor het aantal plaatsen dat aan deze categorie toevalt. Stel dat een studie 120 plaatsen heeft en dat zich een kandidaat aanmeldt met een gemiddelde van 8,5. Stel verder dat deze A-klasse dertig kandidaten telt, dan is het aantal 'aanspraken' voor deze klasse: 30 x 2 = 60.

Als het totaal der aanspraken 773 is, dan maakt klasse A daarvan 7,75 procent uit. Als er 120 plaatsen te verdelen zijn, krijgt categorie A daarvan dus 7,75 procent ofwel 9 plaatsen. Dat wil zeggen: twintig van de dertig kandidaten met een gemiddeld cijfer van 8,5 of hoger vallen hier buiten de boot. Dit voorbeeld is niet overdreven ongunstig gekozen. Voor diergeneeskunde is het aantal beschikbare plaatsen dit jaar bijvoorbeeld 175, op 1075 aanmeldingen. Zoals het voorbeeld laat zien is overigens niet het aantal aanmeldingen bepalend, maar het aantal 'aanspraken', al ligt daar natuurlijk wel een verband. Kandidaten mogen zich niet inschrijven voor meer dan één numerus fixus-studie. In combinatie met het enorme aantal numerux fixus-studies - dit jaar 29, vorig jaar 34 - leidt dat ertoe dat de afgewezen kandidaten vaak niet eens het vak van hun tweede keuze kunnen volgen.

Dr. E. Warries, emeritus-hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Twente en eind 1976 voorzitter van een commissie die adviseerde de loting niet af te schaffen, bepleit nu de verdere handhaving van dit systeem. Zijn argumenten zijn zwak. Het spreekt vanzelf dat de criteria helder en verifieerbaar moeten zijn, maar hoe is het daarmee op het ogenblik gesteld? Om de eigen kans te verifiëren moet je ten eerste weten hoeveel kandidaten zich hebben aangemeld in jouw categorie en ten tweede hoeveel er zich hebben aangemeld in elk van de andere categorieën. De huidige procedure is voor de kandidaten een black box.

Verder heeft het blijkbaar een rol gespeeld dat in Nederlands onderzoek geen overtuigende relatie kon worden aangetoond tussen cijfers en motivatiescores enerzijds en succes of falen in de studie anderzijds. Mij lijkt echter dat iemand die een systeem aanbeveelt dat jonge mensen berooft van de mogelijkheid invloed uit te oefenen op hun toekomstverwachting een heel andere relatie moeten aantonen. Namelijk die tussen zichtbare capaciteiten en mislukking in de studie. Die bestaat natuurljk niet. Bovendien is het argument net zo goed van toepassing op de tweede fase van de studie als op de eerste. Toch zouden we het absurd vinden als promotieplaatsen onder het motto 'onzichtbaar talent moet ook een kans krijgen' onder de kandidaten werd verloot. Waarom dan wel in de eerste fase?

Natuurlijk moet een selectieprocedure praktisch uitvoerbaar zijn. Maar omdat vrijwel alle (misschien wel alle?) landen ter wereld hebben besloten hun hoger onderwijs niet onder de kandidaten te verloten, zullen de moeilijkheden van een minder excentriek systeem wel te overwinnen zijn. Elders heeft de aanmelding voor een numerus fixus-studie meestal het karakter van een sollicitatieprocedure, waarbij behalve de cijferlijst allerlei andere dingen worden meegewogen zoals blijken van interesse, ervaring, referenties en eventueel een test. De selectie wordt doorgaans uitgevoerd door faculteitsbureaus aan de universiteiten. In Nederland meldden zich dit jaar 13.000 studenten aan voor een mumerux fixus-studie (14 procent). Na een eerste schriftelijke screening zou per faculteit een beperkt aantal overblijven ter selectie. Dit lijkt me een heel bruikbaar systeem.

Net zoals bij het basisinkomen worden de posities over het lotingssysteem minder met het hoofd ingenomen dan met het hart. Loten voor onderwijs is een typisch trekje van een egalitaire maatschappij als de Nederlandse, waar iedereen een beurs moet krijgen en waar alle studies moeten worden bekroond met dezelfde titel. 'Alles voor iedereen' is ons motto. Hoewel het zeker zijn mooie kanten heeft, omdat een niet al te hiërarchische maatschappij met een niet al te scheve inkomensverdeling waarschijnlijk veel bijdraagt aan het levensgeluk van grote groepen mensen, mag ook wel eens hardop gezegd worden dat al te vlijtig platwalsen narigheid geeft. Zowel in maatschappelijk als in menselijk opzicht.

Egalitaire maatschappijen lijden chronisch aan wat economen 'allocatieproblemen' noemen. Als signalen die erop wijzen dat het ene product kwalitatief beter is dan het andere en de ene persoon capabeler dan de andere, in het streven naar egaliteit worden afgezwakt en uitgedoofd, wordt het moeilijk om de goede persoon op de goede plaats te krijgen. Ook vallen dan de prikkels weg die ervoor zorgen dat goederen en diensten kwalitatief worden verbeterd en in prijs blijven concurreren. Op den duur brengt zo'n economie slechte en dure spullen voort en zitten de goede mensen op de verkeerde plaatsen. Dat is een gevaarlijke valkuil. Een markteconomie, ook een sociale zoals de onze, functioneert dankzij onderscheid, en onderscheid kan niet zonder ongelijkheid. Er is niets tegen een flinke portie nivellering, het is zelfs nodig, maar het is dom en gevaarlijk om die zo ver door te voeren dat een succesvol economisch systeem wordt ondergraven en talent onnodig wordt verspild.

Ook in menselijk opzicht werkt dat frustrerend. Voor jongeren die hun zelfstandig leven nog moeten beginnen is het een stevige domper, hun soms lang gekoesterde verwachtingen over zoiets belangrijks als de keuze van een vak of beroep al voor de start te moeten opgeven - zonder daaraan ook maar iets te kunnen veranderen.

De vraag is gesteld of het voor de persoon nou zoveel slechter is om afgewezen te worden door het lot dan door een gebrek aan talent, het plaatstekort blijft immers bestaan. Ik denk het wel. Vooral ook omdat dit natuurlijk niet het echte fatale noodlot is waartegen toch niks te begnnen valt, maar gewoon professor Warries van de Universiteit van Twente die achter zijn bureau God de Vader zat te corrigeren. Het voordeel ten opzichte van echte noodlottigheid is wel dat we in dit geval met meerderheid van stemmen de dobbelstenen kunnen terugvragen. Ik hoop dat het er deze keer van komt.

    • Pauline van der Ven
    • Drs. Pauline van de Ven is econoom
    • journaliste