Klad in de kunst is crisis van bobo's

Met de belangstelling voor de muze in Nederland is het vreemd gesteld. In drommen schuifelen we langs de doeken van Rembrandt en Vermeer. De Hollandse schilders raken nog altijd een gevoelige snaar. Voor schrijvers uit dezelfde periode, die in hun tijd meer waardering genoten, is echter nauwelijks plaats in ons selectieve geheugen. Slechts het Vondelpark en de P.C. Hooftstraat doen hen herinneren.

Met de waardering voor de hedendaagse kunsten is het andersom gesteld. Terwijl iedere stap van de Nederlandse schrijvers op de voet wordt gevolgd, hun danspasjes tijdens het Boekenbal incluis, zal menigeen zich ver achter de oren moeten krabben om een beeldend kunstenaar te noemen die na Cobra furore gemaakt heeft. Beeld noch lijn blijft hangen. Het einde van de kunst is nabij, zeggen onheilsprofeten. En ter bevestiging heeft de poëet-politicus Aad Nuis de Wet Inkomensvoorziening Kunstenaars bedacht. Met een basisuitkering van 760 gulden per maand kunnen de meeste kunstenaars hun praktijk beter gelijk aan de wilgen hangen.

Hoe heeft het zo ver kunnen komen? Het gevoel van onbehagen kan toch niet aan de kunstenaars zelf liggen. Zij schilderen als nooit tevoren, hebben zich multimediaal gestort op de virtuele realiteit, zij zoeken fotograferend naar betekenissen, zij installeren hun werken in open ruimtes, boetseren stukjes gefingeerde werkelijkheid en ze plasticiferen deze tijd. Ook het publiek valt weinig te verwijten. Kunst is in, zolang het tenminste publieksvriendelijk gebracht wordt. Wie een beetje bij wil blijven zit op een Corbusier en hangt een Corneille aan de wand. En kunst is overal: in de trein, op de buis en dankzij de BKR zelfs in het klaslokaal. Maar door de overdaad verdwaalt de argeloze liefhebber, die zich daadwerkelijk op de hoogte wil stellen van de toestand in de Nederlandse beeldende kunstwereld, ras in een moerassig bos vol muskieten.

De oorzaak van de vergruizing van het beeld moet gezocht worden in de kleine kring van culturati, van museumdirecteuren, critici en subsidiënten die de kunstwereld bestieren in naam van het publiek. Het publiek zelf is echter niet meer overtuigd van de noodzaak van hun onderonsjes. De subsidiënten treft de minste blaam. Zij weten niet beter, laten zich leiden door wat de kenners hen beloven; veel goeds voor de toekomst dus.

Met de kunstkritiek is het moeilijker gesteld. Zolang zij verslag doen van kunstbeurs of expositie valt hen weinig te verwijten. Zij doen hun werk. Maar zodra de kunst door hen wordt geduid, geplaatst in een cultureel kader of in een maatschappelijk isolement is er meer aan de hand. Sinds Clement Greenberg in de jaren veertig zijn theorie van de zuivere integriteit van het platte vlak formuleerde, zijn kunst en kritiek onlosmakelijk met elkaar verbonden geweest. Lange tijd is gepoogd om het beeld ondergeschikt te maken aan het Woord. In de jaren zeventig werden zelfs goed uitgedachte, maar nooit verwezenlijkte concepten als kunst verkocht.

Nu echter gebleken is dat het beeld an sich niet zo maar weg te cijferen valt en dat juist de woorden die als toelichting dienen geen eeuwigheidswaarde hebben, heeft de kunstkritiek haar macht over het beeld prijs gegeven. “De beeldende kunst heeft alfabet noch grammatica, en zij kan haar critici dus ook geen taal aanreiken”, schreef Cornel Bierens in het februarinummer van Metropolis M. Niet de kunstenaar, maar de criticus doolt weerloos rond.

In arremoede vallen cultuurpausen terug op het nietszeggende, verhullende credo 'anything goes'. Als dat waar is, kunnen de academies daadwerkelijk opgeheven worden, immers oefening is niet nodig, inzicht evenmin. Met dit 'alles kan' wordt bedoeld dat het nu accepté is dat - bij gebrek aan één dominante stijl - verschillende stijlen naast elkaar en door elkaar heen de toon zetten. Maar in deze eeuw heeft slechts onder dictaturen één dominante stijl bestaan. En dat de verschillende stijlen wel degelijk aan al dan niet geformuleerde criteria onderhevig zijn is een understatement dat geen uitleg behoeft.

Zij die de lijnen moeten uittekenen, die de onderlinge verschillen moeten accentueren - ook tussen hedendaagse kunststijlen - en het nieuwe talent moeten tonen zijn de museumdirecteuren. Maar met hun cosmopolitische houding vergeten de directeuren de eigen achtertuin aan te harken. Zij berijden vooral hun eigen stokpaardjes. Onder de noemer van 'kwaliteit' zijn de directeuren vrijgesteld om het museum naar hun smaak in te richten. En zo heeft Rudi Fuchs inmiddels drie exposities aan Günther Förg gewijd.

De directeuren zijn vorst en kunstenaar gelijk. Zij weten te scoren met postmoderne thema-exposities onder samenbundelende titels als The Psychical Self, Nachtregels of Couplet 5, met als leidraad Dansense Meisjes. Exposities die vooral inzicht geven in de wereld van de conservator of de directeur maar die weinig bevorderlijk zijn voor het zo broodnodige overzicht. Het is de hoogste tijd dat de museumdirecteuren weer een dienende rol gaan spelen en niet alleen hun eigen voorkeuren tonen maar gewoon laten zien wat er in alle uithoeken van het land gaande is. Zodat de hedendaagse kunst in Nederland weer een gezicht krijgt. Van een crisis in de kunst is geen sprake, hooguit van een crisis onder de bobo's die de kunst aan de man moeten brengen.

    • Hanco Jürgens
    • Onderzoekers in de Oost
    • Britse Reisverhalen Gespiegeld