Kip en wijsheid in de warung

Onze correspondenten berichten met nieuwsgierige verwondering en per definitie met enige afstandelijkheid over hun land of gebied. Deze zomer leggen ze tijdelijk hun journalistieke distantie af en onthullen ze hun favoriete toevluchtsoord.

De juiste plek stilt de honger, streelt de zintuigen en kalmeert de ziel. Kom daar maar eens om in de hoge-drukpan Jakarta.

Voor wie niet rekent in rupiahs en het Indonesisch niet machtig is, zijn er wereldgerechten genoeg: shabu-shabu in Tsubaki, een pasta-schotel in l'Ambiente of een heuse Hollandse biefstuk in Memories. Het digestief wordt geschonken in O'Reilly's - voor passagierende zakenlui met voldoende plastic in het kalfsleder, in de Jaya Pub - voor Australische mijnbouwers die houden van grote glazen en evergreens, en in karaoke-bars, waar Indonesisch manvolk met onvaste stem meezingt met de smartlappen van het Japanse videoscherm.

De bediening doet wereldwijs en blijft hardnekkig pogen uw bestelling op te nemen in het Engels. Je treft er de 'expat'-gemeenschap en de nieuwe rijken van Jakarta. Voor de kinderen van generaals en ministers zijn er de speeltuinen van Global Village: Mc Donald's, het Hard Rock Café en - zo mogelijk nog platter - Planet Hollywood, waar u wordt bediend door kwieke teenagers met honkbalpetjes tussen memorabilia van Schwarzenegger en Stallone. Deze gegoede jeugd put zijn levenslust uit peperdure XTC-pillen, ingevlogen uit Amsterdam.

Laat maar, ik wandel naar de warung.

Op het trottoir monster ik het menu, in grote letters aangebracht op het canvas dat rond de tafels is gespannen. In dat ene ogenblik van opmerkzaamheid word ik gestrikt door de hoogglanslach van het dienstdoende meisje: Makan pak? (een hapje eten, vader?) Jawel. De gastvrouw gaat samen met moeder fluks in de weer aan het komfoortje. Binnen tien minuten dient ze op: een mandje witte rijst, aan de binnenkant proper bekleed met bananenblad, een geglazuurde schaal met sambal van vers gevijzelde pepertjes, een kom met gewassen rauwe groenten en een kippebout. Ayam kampung, een hen die vrijelijk heeft rondgescharreld op het erf, pezig, maar pittig. Tenslotte een vingerbakje waarin twee halve limoenen drijven, want hier eet je met de rechterhand. Met drie vingers pers je de kleefrijst tegen de bodem van het bord tot een hanteerbaar hapje, dat je door de sambal haalt en met de duim in de mond schuift.

Warung is een verzamelnaam voor stalletjes met eet-, drink- en rookwaren en dagelijkse benodigdheden als zeep, tandpasta en lucifers. Deze doorgaans wat precaire optrekjes van bamboe en spaanplaat brengen het beste dat Indonesië te bieden heeft: tropisch binnen-buiten, ontspannen vriendelijkheid en een perfecte bediening met warm eten, kruidnagelsigaretten en een heet glas koffie. Bezoekers geven zich in alle rust over aan 's lands geliefde bezigheden: eten, roken en kletsen. Murah meriah (goedkoop en gezellig), het tegendeel van mahal mewa (duur en deftig). Miljoenen Indonesische vrouwen drijven een warung. De meeste dienen als aanvulling op het inkomen van de mannen. De omzetten zijn veelal bescheiden en de marges klein.

De warung is overal binnen loopafstand: op de hoek, onderweg en aan zee. Het menu varieert per provincie. Zwarte koffie met koek in Atjeh, vis of kip met rauwe groenten in de Soenda-landen, nasi gudeg in Yogyakarta, nasi liwet in Solo, soto madura in Surabaya en bubur manado in Noord-Sulawesi.

Economen en andere modellenbouwers brengen dit kraampjeswezen onder in de 'informele sector', te onderscheiden van de formele economie, met zijn kantoren, salarissen, belastingen en vaste werktijden.

Die tweedeling berust op een misverstand. De hele Indonesische economie is informeel en de warung is de meest transparante en minst gecorrumpeerde bedrijfstak van Insulinde. In dit land van tientallen miljoenen kleine klantjes, waar de shampoo per kussentje van de hand gaat, is de warung verreweg het belangrijkste distributiekanaal.

Veel westerlingen durven er niet aan te leggen uit angst voor buikloop en ander darmbederf. Jammer, want die vrees is ongegrond. De bankjes zijn van ruw gezaagde planken of van bamboe, over de tafel kruipt wel eens een mier en zwerfkatten bedelen om restjes, maar de borden en glazen zijn schoon, het water is gekookt en de kant-en-klare gerechten liggen vliegvrij onder glas.

De warung is de pleister- en ontmoetingsplaats van de orang kecil, de kleine man, maar langs de doorgaande wegen op Java trekt het eenvoudige eettentje ook klandizie van orang besar (belangrijke mensen). Tijdens een tussenstop op weg naar Bandung geniet ik van een gado-gado met uitzicht op de groene bergen.

Een Chinese familie parkeert haar Volvo en geeft haar bestelling op. Het eten wordt staande verorberd en snel afgerekend. “Waarom gaan ze niet lekker zitten”, vraag ik aan de uitbaatster. Ze lacht: 'Takut ketularan susah, pak'. Ze zijn bang te worden aangestoken door de zorgen van de sappelaar.

    • Dirk Vlasblom