Intuïtie

De belangrijkste drijfveer achter de recente schaalvergroting in het onderwijs en de bijbehorende golf van fusies was bezuiniging. Dat kan bijna niet anders en toch werden alle veranderingen gepresenteerd als 'onderwijskundige verbeteringen'.

Het opvoeren van zo'n maskerade hoort er bij. Toen het onvrijwillig opnemen in een psychiatrische inrichting werd afgeschaft, gebeurde dat onder het mom van anti-psychiatrische idealen, maar het kwam de overheid ook wel goed uit dat de nieuwe wetgeving goedkoper was.

In dit geval zou de verbetering voor de individuele leerling vooral neerkomen op meer keuzemogelijkheden. Hij kan van het ene op het andere type school overstappen, zonder de school zelf te verlaten. En er zijn op een grote school meer vakken in de aanbieding. Het idee van veel keuzemogelijkheden spreekt intuïtief aan: is het niet heerlijk om te weten dat je Russisch kunt leren of informatica op eindexamenniveau en dat er wel twintig buitenschoolse clubs zijn, waar je lid van kunt worden?

Maar alles wat meer is wordt vanzelf minder, zoals degene met de grootste garderobe altijd het hardste klaagt dat hij niks heeft om aan te trekken. Daar komt bij dat middelbare scholieren, net als de rest van de mensheid, voornamelijk keuzes maken op oneigenlijke gronden. Ze kiezen Frans, omdat hun vriendinnetje dat ook doet. Ze gaan op schaken of hockey om dezelfde reden, of omdat hun ouders zo aandringen, of omdat de cursustijden zo handig uitkomen met de rest van het weekschema. Niet dat oneigenlijke redenen verkeerd zouden zijn. Want intussen komt het kind wel in aanraking met onbekende gebieden die misschien uitstekend bevallen. De hoeveelheid keuzes doet er alleen niet zoveel toe. Mensen die tien vakantiefolders bestellen en met veel wikken en wegen een bestemming kiezen hebben geen gegarandeerd leukere vakantie dan mensen die zomaar iets uit de krant prikken.

Kinderen gaan naar school om een opleiding te krijgen waarvan de eindtermen vastgelegd zijn in de wet. Zowel kleine als grote scholen moeten die doelen bereiken, dus de rest van de niet-verplichte keuze-onderdelen is per definitie franje. Op zichzelf is die franje trouwens wel weer heel belangrijk voor de sfeer op een school en de brede (dat wil zeggen niet-academische) ontwikkeling van leerlingen. De vergelijking van grote met kleine scholen, die beide op hun manier aan franje doen, moet welhaast in het voordeel van de kleine school uitvallen, omdat daar meer deelname van kinderen is vereist om überhaupt iets van de grond te krijgen.

Als een enthousiaste leraar een toneelclub wil oprichten en draaiende houden, zal hij actief moeten ronselen. Op een kleine school is dat gemakkelijker, omdat die leraar al een heleboel leerlingen kent en anders kennen de leerlingen elkaar wel. Een grote scholengemeenschap bestaat vaak uit meer gebouwen. Niet alleen kent de leraar een veel geringer percentage van de leerlingen, een bijkomend probleem is het pendelen. Kinderen moeten van het ene naar het andere gebouw om mee te gaan doen aan een activiteit waarvan ze de initiator en de meeste deelnemers niet kennen. Dan moet je wel over een heel sterke inhoudelijke motivatie beschikken, iets wat voor de meeste leerlingen niet opgaat - die kiezen op oneigenlijke gronden.

Het elkaar kennen op school wordt meestal in verband gebracht met sociale controle. Volgens minister Sorgdrager vormt sociale controle een belangrijk preventiemiddel tegen geweld en criminaliteit op scholen. Volgens minister Ritzen is dat onzin en levert onderwijskundig onderzoek daar in ieder geval geen bewijs voor. Dat zal best. Toch zullen weinig ouders hun intuïtieve voorkeur voor kleine scholen kwijtraken. Kleine scholen zijn beter voor de verticale connecties. Een leerling zit minder opgesloten in een kringetje van exacte leeftijdgenoten temidden van een zee van onbekende gezichten, maar heeft ook contact met jongere en oudere kinderen. Voor het gemiddelde moderne kind dat opgroeit met één broertje of zusje (twee jaar leeftijdsverschil) dat ook nauwelijks nog ongecontroleerd buitenspeelt met niet-leeftijdgenoten uit de buurt, lijkt de verticale connectie me wel gezond, al was het maar uit oogpunt van diversiteit. Maar ook dit zal wel weer zo'n intuïtie zijn die niet door onderwijskundig onderzoek bevestigd kan worden.

    • Beatrijs Ritsema