Het beleg van een kerkdorp bedreigt de vrede in Ulster

PORTADOWN, 10 JULI. Ulster brandt weer. In de avondlucht van Belfast stijgen uit alle windrichtingen rookpluimen op van brandende auto's. Helikopters ronken onafgebroken boven de daken. De binnenstad is verlaten. Winkels en cafés houden angstvallig hun deuren dicht.

Politie en leger patrouilleren door de straten. Maar ze kunnen niet verhinderen dat gemaskerde mannen, vaak jongens nog, voor de tweede achtereenvolgende nacht het verkeer in de hele provincie blokkeren. De conducteur kan bijna niet geloven dat de trein van Portadown naar Belfast zijn doel toch nog bereikt heeft, na twee bommeldingen en zes keer onderweg met stenen te zijn bekogeld. In Belfast en Londonderry worden diezelfde avond vijf gemengde gezinnen, zij katholiek, hij protestant, uit hun woningen in protestantse wijken verdreven. Door buren van wie de kinderen tot voor kort nog speelden met de kinderen van de bannelingen.

In Ulster herleeft het geweld dat de anderhalf miljoen inwoners al ruim een kwart eeuw verscheurt. Alsof er nooit een staakt-het-vuren van republikeinse en unionistische terreurorganisaties bestaan heeft. De Britse premier, John Major, stuurde gisteren duizend extra soldaten naar Noord-Ierland en zei in het Lagerhuis dat het vredesproces ook deze geweldsgolf zal trotseren. Maar de mensen in Noord-Ierland gedragen zich weer even behoedzaam en wantrouwig als vroeger. Ze verzuchten en vloeken en tieren: “welk vredesproces?” Kerkleiders waarschuwden gisteren dat Ulster “op de rand van de anarchie” staat, dat “terugkeer naar de nachtmerrie dreigt waarvan we hoopten dat ze achter ons lag”. Ian Paisley, leider van de Democratic Unionist Party, noemde Ulster “een kruitvat dat wacht op de vonk”.

De afgelopen twee jaar experimenteerden ze voorzichtig met begrip en verzoening, maar deze week staan katholieken en protestanten overal in de provincie weer verhit en verbitterd tegenover elkaar. Symbool van hun strijd is Drumcree, een kerkdorp van Portadown, ten zuiden van Belfast. Een potentieel slagveld, vermomd als lieflijk, glooiend grasland. Dwars door de landerijen kronkelt een kilometerlange rups van NAVO-prikkeldraad.

Uit alle uithoeken van de Noordierse provincie zijn ze gekomen. Uit Londonderry, Antrim, Lisburn. Een kleuter, over het gemaaide grasland voortgeschoven in zijn buggy. In zijn hand klemt hij het bord dat hij van moeder heeft gekregen: “Pappa, laat ze de cultuur niet van ons afpakken.” Zijn moeder, een Britse vlag over haar schouders, zeult twee tassen met “boterhammen voor de mannen”. Opa blijft achter. Hij gaat onder de jaren en tientallen medailles op zijn oranjelint gebukt.

Dit is 'het beleg van Drumcree', zoals de demonstranten hun protest heroïsch noemen. Het tweede beleg. Vorig jaar moesten de leden van de plaatselijke Oranjeorde hier ook al drie dagen wachten, voordat ze hun traditionele optocht door de periferie van de provincieplaats Portadown mochten vervolgen. Vorig jaar werden ze ook al tegengehouden. Omdat katholieken langs de Garvaghy Road de protestantse optocht midden door hun wijk intimiderend vonden. Omdat ze verschoond wensten te blijven van wat Breandan MacCionnaith, voorzitter van het buurtcomité, als “triomfalistisch machtsvertoon” kwalificeert.

Pagina 5: 'Dumcree moet het keerpunt worden' Noord-Ierland

Vorig jaar werd na drie dagen alsnog een compromis bereikt. Leden van de Oranjeorde mochten zonder aanhang, zonder het gebruikelijke gebeuk van de oorlogstrom, in alle stilte, door de lange, veel te lange Garvaghy Road paraderen. Terwijl de luiken en gordijnen voor alle ramen demonstratief bleven gesloten.

Tien minuten spitsroeden lopen die ze na afloop vierden als een overwinning. Het plaatselijke parlementslid David Trimble dankt er zijn verkiezing aan tot partijleider van de Ulster Unionist Party.

In het kleurloze gemeenschapshuis aan Garvaghy Road zegt MacCionnaith dat de buurtbewoners “hun buik vol hebben van die katholieke zegepraal.

“Ze hebben er genoeg van om zich in hun huizen te moeten verschansen wanneer Oranjemannen als bezetters door hun buurt komen marcheren. Ze komen er dit jaar niet in.” Op de heuveltop anderhalve kilometer verder, waar de kerkspits van Drumcree in het grijze luchtdek prikt, is de stemming al even onverzettelijk en onverzoenlijk.

“We gaan hier niet weg voordat we onze parade hebben kunnen voltooien”, zegt Barry Hodgen, die de vermoeidheid van twee doorwaakte nachten in het gezicht staat gekerfd. Zijn luchtbed in de iglo-tent die hij aan de voet van het kerkhof geparkeerd heeft, is sinds zondag nog geen tien uur in gebruik geweest.

Hodgen heeft vrij genomen om aan het beleg van Drumcree deel te kunnen nemen. Maandag moet hij weer op zijn werk zijn bij een champignonverwerkingsfirma.

Maar als de demonstratie voortduurt blijft hij, ook al zou dat hem zijn baan kunnen kosten. “Het protestants erfgoed is in het geding. Onze positie binnen de provincie staat op het spel”, zegt Hodgen.

“Daarbij vallen mijn bedrijf en mijn persoontje in het niet.”

Een buitenstaander die wil weten waarom het volbrengen van een optocht zo belangrijk is dat een hele provincie ervoor lamgelegd moet worden, stuit op een wal van achterdocht en agressie.

De struise dame die thee schenkt in het gebouw van de zondagsschool schudt haar grijze kapsel over zoveel onbegrip. Haar buurvrouw die de boterhammen met dikke plakken kaas belegt, begint meteen te schelden. Ze schreeuwt om de ordebewaarders. Er is een onderkruiper, een indringer gesignaleerd. Mannen met rode koppen dringen langzaam in de richting van de koffietafel op.

Later legt Hodgen uit dat protestanten in Noord-Ierland zich altijd al ongewenst en bedreigd hebben gevoeld. Al sinds ze aan het begin van de zeventiende eeuw als kolonisatoren door de Engelsen werden gedumpt om de katholieke Ieren te verdrijven.

Hodgen vindt dat er sindsdien in wezen niets is veranderd, ook niet nadat de protestanten bij de Ierse tweedeling in 1921 een thuisland toegewezen kregen waarin ze de meerderheid vormden. “De Ieren willen ons kwijt en de Britten laten ons stikken”, zegt Hodgen. “Zo is het altijd geweest.”

De protestantse unionisten hebben het gevoel dat ze in de loop van het vredesproces steeds verder in de verdrukking zijn gekomen. Ze zeggen dat de Britten keer op keer gezwicht zijn voor de katholieke nationalisten, die zich gesteund weten door het verboden Ierse republikeinse leger. Hodgen kent geen twijfel: “Terreur wordt beloond.”

Volgens Hodgen zijn het ook dit keer weer de autoriteiten die zich aan de kant van terroristen scharen door brave protestantse burgermensen de beleving van hun cultuur te beletten. Hij zegt dat de meeste katholieke buurtbewoners langs de Garvaghy Road geen enkel bezwaar hebben tegen een optocht die al twee eeuwen lang wordt gehouden. “Ze zijn door de IRA bedreigd en gemanipuleerd.”

Al op tal van plaatsen in Noord-Ierland hebben Oranjeloges hun traditionele marsroutes moeten opgeven na protesten van katholieke buurtbewoners. “Als vee worden we verdreven”, zegt Hodgen.

“Drumcree moet het keerpunt vormen. Genoeg is genoeg.” Pal staan voor het protestantse geloof en de kroon van Groot-Brittannië is tenslotte het oogmerk van de Oranjeorde, de twee eeuwen oude broederschap die nog altijd bijna 100.000 leden telt.

Naast andere plichten zoals het nastreven van verzoening en verdraagzaamheid.

    • Dick Wittenberg