Handel en blokkades

DE SUIKERRIETPLANTAGES op Cuba werden in 1959 na de vlucht van Fulgencio Batista en de machtsovername van Fidel Castro onteigend. De ene dictator verving de andere, de economie werd gesocialiseerd en de Cubaanse afhankelijkheid van de suikerproduktie bleef bestaan.

Veertig jaar later - Cuba is een Caraïbisch communistisch museumstuk, een geïsoleerd en verpauperd land dat nog steeds onder het absolutisme van Castro gebukt gaat - krijgt de Nederlandse ING Bank de rekening voor de nationalisatie van de suikerplantages gepresenteerd.

Vorig jaar sloot de ING een contract van 30 miljoen dollar om ongeveer eenvijfde van de Cubaanse suikeroogst te financieren. Het was een kleine, winstgevende transactie voor de ING, maar het had een groot belang voor Cuba. Met de harde valuta wilden de Cubanen de hoognodige importen betalen om de suikerindustrie te versterken en de ingestorte produktie te verhogen.

Op 12 maart 1996, twee weken nadat de Cubaanse luchtmacht twee vliegtuigjes van Cubaanse ballingen neerschoot, tekende president Clinton met tegenzin de 'Cuban Liberty and Democratic Solidarity (Libertad) Act', naar de indieners senator Jesse Helms en afgevaardigde Dan Burton ook wel de Helms-Burtonwet genoemd. Sectie III van deze wet biedt Cubaanse ballingen met de Amerikaanse nationaliteit het recht om schadevergoedingen te eisen in verband met “handel in geconfisqueerd eigendom”. Inmiddels is een lijst opgesteld van erkende claims en kunnen bedrijven die zaken doen in Cuba vanaf 1 november een eis tot schadevergoeding verwachten. Maar nu al is het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken gerechtigd om medewerkers van bedrijven die op Cuba actief zijn, de toegang tot de Verenigde Staten te ontzeggen. Amerikaanse vestigingen van buitenlandse bedrijven vallen ook onder de toepassing van deze wet.

DE RECHTSMACHT van de wet gaat het Amerikaanse grondgebied te buiten. Dit 'extraterritoriale karakter' van de Helms-Burtonwet is inmiddels uitgegroeid tot een internationaal knelpunt in de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en hun bondgenoten. De kritiek is dat de Amerikaanse regering onder druk van de Cuba-lobby moet weten wat ze in eigen land doet, maar dat ze haar wetgeving niet mag opleggen aan buitenlandse ondernemingen die in Cuba actief zijn. En het blijft niet bij de Helms-Burtonwet, het Congres staat op het punt soortgelijke wetgeving ten aanzien van handelsbetrekkingen met Iran en Libië aan te nemen.

Op de top van de G-7, de groep van zeven machtigste industrielanden, vorige maand in Lyon, hebben de Europese deelnemers president Clinton op de vingers getikt over de handelswetgeving. De Europese Commissie, die het handelsbeleid voor de EU-landen voert, wil de kwestie aan de orde stellen bij de Wereld Handelsorganisatie (WTO) in Genève. Het besluit van ING om zich uit de Cubaanse suikerfinanciering terug te trekken voordat de bankier-verzekeraar door Amerikaanse sancties wordt getroffen, heeft inschakeling van de WTO overigens niet gemakkelijker gemaakt. De Nederlandse regering en de Europese Commissie hebben een casus nodig om in WTO-verband een klacht in te dienen.

TWEE VRAGEN met een verdergaande strekking dan ING en de Cubaanse suikerrietplantages dringen zich in dit verband op. De eerste is de afweging of handelssancties een bijdrage leveren om een proces van democratisering, naleving van de rechten van de mens en politieke normalisatie af te dwingen. De VS hanteren al 35 jaar een handelsembargo tegen Cuba, zonder zichtbaar politiek resultaat. Vaak wordt het omgekeerde beweerd als bedrijfsbelangen op het spel staan - zie de argumentatie van Heineken om in Birma een bierfabriek te bouwen maar ook de aangekondigde consumentenboycot in de VS tegen de Nederlandse bierfabrikant.

De andere afweging heeft te maken met de Amerikaanse positie in de internationale economische betrekkingen. Europa profiteert in het algemeen van de Amerikaanse inzet voor een vrij handelsstelsel en van Amerikaanse steun aan handhaving van de internationale orde. Maar dat geeft Amerika geen vrijbrief om de belangen van de Cubaanse lobby zwaarder te laten wegen dan het recht van ondernemingen, binnen de grenzen van hun nationale wetgeving en de ordening van internationale overeenkomsten, om zaken te doen waar het ze goeddunkt. Die ondernemerskeuze behoort tot het fundament van het vrije kapitaal- en handelsverkeer.

PRESIDENT CLINTON moet vóór 15 juli besluiten of hij de inwerkingtreding van Sectie III van de Helms-Burtonwet zal opschorten. Ook al loopt hij het risico bij de komende presidentsverkiezingen te worden beschuldigd 'zacht voor Cuba' te zijn, hij moet kiezen voor handhaving van de rechtsorde in het internationale handelsstelsel.