Dubbel charisma voor Al Pacino

City Hall. Regie: Harold Becker. Met: Al Pacino, John Cusack, Bridget Fonda, Danny Aiello, Martin Landau. In: Bellevue Cinerama, Amsterdam, Tuschinski 2, Den Haag, Pathe 4, Rotterdam, Rembrandt 2, Utrecht, Euro 3, Eindhoven.

Om te laten zien waar corruptie toe kan leiden, hebben de schrijvers van de ambitieuze film City Hall hun toevlucht genomen tot een beeld dat niet subtiel is maar wel effectief: de dood van een kind, een zwart jongetje dat door zijn vader naar school wordt gebracht, vraagt of het vanmiddag naar de speeltuin mag en dan in de rug wordt getroffen door de kogel die een kleine crimineel voor een undercover agent bedoeld had.

Met deze vermoorde onschuld begint City Hall - en een film lang wordt de verantwoordelijkheid voor de moord van het kind hoger- en hogerop gezocht - om uiteindelijk te eindigen bij de machtigste man van New York: de burgemeester, een gedreven politicus die niet alleen de media maar ook zijn naaste medewerkers weet te overtuigen van zijn nobele wens om de stad van een poel des verderfs weer tot een paleis te maken. Al Pacino speelt deze burgemeester met verve, iets teveel verve misschien: het charisma van de acteur wordt verdubbeld door het charisma van de persoon die hij moet spelen. Als Pacino een toespraak houdt op de begrafenis van het kind, lijkt hij van een imitatie van een zwarte dominee door te schieten naar een van Hitler.

City Hall, geregisseerd door Harold Becker, is geen studie van een gedreven politicus die op zijn weg naar de top zijn handen vuil maakt in het spel van voor wat hoort wat. City Hall is een thriller, en de detective is de naïeve rechterhand van de burgemeester. Op zijn zoektocht naar de waarheid komt deputy mayor Kevin Calhoun (John Cusack) onder meer een te ambitieuze rechter (Martin Landau) en een lokale politicus met connecties bij de mafia (Danny Aiello) tegen.

City Hall is mede geschreven en geproduceerd door Ken Lipper, een jurist die begin jaren tachtig de rechterhand was van de New-Yorkse burgemeester Ed Koch. Veel ingrediënten van de plot verwijzen naar de politieke werkelijkheid van de stad, al zal dat voor Nederlandse kijkers niet altijd even duidelijk zijn. Opvallend in de tekening van de karakters is de voortdurende verwijzing naar hun etnische afkomst - ook op City Hall werken geen New-Yorkers, maar Afrikaanse-, Griekse- en Italiaanse Amerikanen. Wat de Europese Amerikanen in deze film bindt, is het joodse karakter van de stad. Zou het toeval zijn dat de onderburgermeester, een van de weinige onkreukbare personages in de film, een buitenstaander is? Herhaaldelijk wordt erop gewezen dat Calhoun, afkomstig uit Louisiana, zijn jiddisch niet goed spreekt.

Ken Lipper, die voor het scenario hulp kreeg van gelauwerde professionals als Paul Schrader (Taxi Driver) en Nicholas Pileggi (Casino), zegt dat hij zich voor City Hall heeft laten inspireren door Antigone. Een merkwaardige keuze. In Antigone gaat het om het volgen van de wet of van het geweten.

In City Hall gaat het om vriendjespolitiek en corruptie - de burgemeester van New York heeft geen geweten meer. Omdat hij niet de hoofdpersoon van de film is, voelt dat nooit als een tragedie. Burgemeester Pappas wordt geen Hamlet of Lear. Zijn verdediging voert hij met behulp van de slappe metafoor dat zwart en wit, goed en slecht niet bestaan. Maar ze bestaan wel, beweert de film uiteindelijk - dat bewijst immers de idealistische hoofdpersoon Calhoun.

Het is jammer dat een goede cast, een goede regisseur en maar liefst vier goede scenarioschrijvers geen spitser produkt hebben afgeleverd. Ook al werd de film opgenomen in het echte stadhuis van New York en zitten we de burgemeester voortdurend op zijn lip, dit is geen portret van de macht van binnenuit maar van buitenaf.

    • Bianca Stigter