Alain Platels afscheid van het vrijblijvend toneel

De Vlaamse choreograaf Alain Platel, van wie deze week danstheater te zien is in de Amsterdamse Stadsschouwburg, werkt het liefst met verschillende mensen. “Als iets mij drie keer ontroert, krijgt het een plaats in de voorstelling.”

Tristezza van Les Ballets C. de la. B. is 12 en 13 juli te zien in de Stadsschouwburg Amsterdam.

GENT, 10 JULI. De naam van de groep waartoe choreograaf Alain Platel behoort, Compagnie Les Ballets C. de la B., mag pompeus klinken, zij is een gevolg van ironie. Tijdens de oprichting in 1986 was er naar zeggen van Platel “een hoop gedoe” tussen de Walen en de Vlamingen gaande “inzake het geval Happard” en toen leek Les Ballets Contemporains de la Belgique - later versimpeld tot de afkorting - een aardige relativering van het volkseigene van een onvervalst Vlaamse groep. Onlangs ondervond het gezelschap er nog last van: het Vlaams Blok wilde de subsidie schrappen van dit “immers Franse” gezelschap. De ironie blijft van kracht.

Alain Platel (40) is de bekendste van de groep, door succesvolle danstheater-voorstellingen als Emma (1988), Bonjour Madame (1993), La Tristeza Complice (1995) en, voor jeugdtheatergroep Victoria, Moeder en Kind (1994). Maar hij maakt, samen met Hans van den Broeck, Christine de Smedt en Koen Augustijnen, deel uit van een collectief, een produktiekern die sinds drie jaar 5 ton (in guldens) subsidie per jaar ontvangt. Tot dan toe werkten de andere choreografen en de per produktie aangetrokken spelers “met vrijstelling van stempelcontrole”, het Belgische equivalent van “met behoud van uitkering” en Platel verdiende nog lange tijd de kost als ortho-pedagoog, zijn eigenlijke beroep.

Sinds vijf jaar neemt hij “het theatermaken ernstig”. In een café in zijn woonplaats Gent, waar ook de groep gevestigd is, zegt hij aanvankelijk “louter visuele voorstellingen” gemaakt hebben, met amateurs en een paar professionele dansers. Nu is dat laatste omgekeerd en “het plaatje” interesseert hem nauwelijks nog. “Ik ben in 1991 met de groep op toernee naar Brazilië geweest en daar ben ik tot een soort inkeer gekomen. We werden er ontvangen als prinsen, zeer luxueus, maar tegelijkertijd struikelden we er over de zwerfkinderen. Vanaf dat moment wilde ik geen vrijblijvend theater meer maken. Ik vond het theatermaken altijd een heel comfortabele bezigheid en dat vind ik nog steeds, maar ik wil meer dan voorheen verbanden leggen met het leven, echte thema's aanboren en standpunten innemen.”

Platels thema's zijn niet die van het aloude politieke theater: over socialisme, terreur van het kapitaal of de arbeidersstrijd gaat het bij hem niet. Hij treft zijn onderwerpen aan in zijn spelers, zo alledaags mogelijk, en verheft het kleine gebaar, de korzeligheid en het vooroordeel door zijn montage en timing en met behulp van het oog van de toeschouwer vervolgens tot machteloosheid, gebrek aan communicatie, eenzaamheid. Hij schuwt het realisme niet, zomin als het surreële. En hoe ruw en ongepolijst zijn dans vaak ook oogt, zijn werk kenmerkt zich door een poëtisch soort kinderlijkheid. Kinderen zijn ook altijd letterlijk aanwezig.

“Het is toevallig ontstaan. Toen ik nog maar net begonnen was met voorstellingen maken vroeg ik er eens een paar mee te doen, omdat ik het publiek door de ogen van kinderen wilde laten kijken. Ze vroegen toen spontaan of ze vaker mochten meewerken. Dat wilde ik zelf inmiddels ook graag, want ze zijn uitstekende critici. Hun desinteresse of onbegrip zijn belangrijke signalen voor me. De reactie van kinderen is niet in de eerste plaats rationeel, ze zijn gevoelig voor sfeer en juist het onuitgesprokene en precies dat zijn de elementen die ik belangrijk vind.

“Ik houd van het werken met zo verschillend mogelijke mensen - kinderen en volwassenen, amateurs en professionelen, autochtonen en allochtonen - omdat die verschillen gegarandeerd spanning opleveren. Dat is vaak riskant, maar als je het in de hand weet te houden, levert het prachtig materiaal op. Ik stel veel vragen, over wat ieder van hen bezighoudt, laat ze zonder enige nadere opdracht bewegingen uitvoeren. Hun spontane, persoonlijke bewegingen laat ik vervolgens door de anderen uitvoeren, zoals de ene persoon de onafgemaakte zin van een ander kan voltooien. Er ontstaan dan 'mengvormen' die nog moeilijk duidbaar zijn, maar als ik iets zie dat mij tot drie keer toe ontroert, dan krijgt het hoe dan ook een plaats in de voorstelling, zelfs als ik de kern ervan niet begrijp.”

In het Julidans-programma van de Amsterdamse Stadsschouwburg is Platels La Tristeza Complice twee keer te zien. De voorstelling is volgens de choreograaf gebaseerd op “negatieve gevoelens” die tijdens de samenwerking bij zijn spelers bovenkwamen. “Door de gevarieerde samenstelling van de groep waren er in het dagelijkse verkeer allerlei uitingen van racisme, seksisme en nationalisme. Ik kon dat ontkennen of de kop indrukken, maar ik kon er ook iets mee doen. Daarvoor koos ik, met alle spanningen vandien, maar die zijn nu gestileerd aanwezig. Onderling hebben de spelers geen problemen meer, juist door de voorstelling, maar de toeschouwer voelt ze, onderhuids, en dat bepaalt de kracht ervan.”

Voor Victoria maakt Platel op dit moment de jeugdvoorstelling Bernadetje, waarin hij het verhaal van het meisje Bernadette Soubirous dat een Maria-verschijning kreeg, zich laat afspelen in een bots-autokraam. “De voorstelling, bedoeld voor jongeren tussen tien en 17 jaar, gaat over jongens en meisjes. Je ziet meisjes op die leeftijd wegvluchten in idolatrie en extreme fantasieën, voor jongens is zo'n kermiskraam een ontmoetingsplaats. Voor hen hebben de auto's ook van doen met erotiek, ze dansen een soort paringsdans, het is machismo. Die confrontatie is het uitgangspunt, dat wat mij betreft verder alles open laat. Ik maak geen 'zuivere' dingen. De discussie over de grens tussen theater en dans vind ik bij voorbeeld totaal zinloos. Ik wacht ook deze keer gewoon af wat zich aandient.”

    • Pieter Kottman