Krajicek

U weet waarschijnlijk al veel van Wimbledon, maar dat in 1931 de heren-enkelspelfinale nooit is gespeeld - wist u dat? Het zat zo: in een halve eindstrijd won de Amerikaan Frank Shields van de beroemde Fransman Jean Borotra, maar kort voor het einde viel hij met zijn knie op een bal en bezeerde zich dermate dat hij de finale niet kon spelen. Tegenstander Sydney Wood werd kampioen zonder te spelen - een treurige, maar schuldloze kampioen.

Uiteraard kent Wimbledon populaire en minder geliefde kampioenen. Jaroslaw Drobny, die na diverse vergeefse pogingen in 1954 de beker van Marina, de toenmalige hertogin van Kent, ontving, was populair om diverse redenen. Ten eerste was hij in Engelse ogen zielig, want een tijdje statenloos. Hij was gevlucht uit zijn land Tsjechoslowakije, waar de communisten de macht hadden veroverd. Met zijn racket onder de arm trok hij als een zigeuner door de wereld, waar het grote tennisgeld nog niet bestond. Koning Faroek van Egypte bood hem de Egyptische nationaliteit aan en Drobny accepteerde. Later trouwde hij een Engelse dame en werd uiteindelijk Brits onderdaan. Hij was een robuuste, aanvallende speler met een sterke forehand, maar al 32. De jeugd stond te trappelen om hem en zijn leeftijdgenoten van de troon te stoten. Drobny ontmoette de jeugd in de vorm van de 19-jarige Ken Rosewall, die samen met de even jonge Lew Hoad uit Australië was overgekomen. Drobny won. Drobny won in vier sets waarvan er twee lang van adem waren: 13-11 en 9-7, maar hij wist dat dit zijn laatste kans was geweest.

Lew Hoad - een krachtmens met een rug die het niet erg lang zou uithouden, won in 1957. Tijdens de persconferentie na afloop beloofde hij volgend jaar terug te zullen komen, maar 's avonds op het bal ontbrak hij. Later bleek, dat hij een profcontract met Jack Kramer (de winnaar van '47) had getekend. Menigeen op Wimbledon sprak er schande van. Velen geloofden in een mengeling van arrogantie en naïviteit, dat Wimbledon nooit zou betalen, maar de bijna 400.000 pond sterling voor Krajicek spreekt al lang realistischer taal. Intussen was de grote winnaar van voor de Tweede Wereldoorlog, Bobby Riggs, een pure geldwolf geweest. Hij had op zijn eigen partijen officiële weddenschappen afgesloten. En met succes, want hij incasseerde ruim 21.000 pond, in die tijd en die koers 108.000 dollar. De Engelsen hebben juist met Amerikaanse deelnemers nogal eens moeite gehad. De fantastische Pancho Gonzales weigerde in zijn nadagen de trip naar Londen te maken, zogenaamd omdat hij de bijbanen slechts kon bereiken door zich door de publieke massa heen te werken - en dat stond hem niet aan. In 1948 was het de Amerikaan Bob Falkenburg, die het publiek van zich vervreemdde door ongewoon lange pauzes te nemen en, als hij gevallen was, lang te blijven liggen. Toch won hij de finale van de Australiër Bromwich, ondanks een 5-2 achterstand in de vijfde set. Later kwam uit, dat Falkenburg een mankement aan de schildklier had, waardoor hij plotseling uitgeput raakte, zij het tijdelijk.

Hoe past Richard Krajicek in deze rij? Niet spectaculair in zijn baangedrag. Geen mediabeest zoals Agassi. Niet de allure van een Becker. Maar een rustige speler, die zich concentreert op zijn spel en - naar vrij algemeen wordt beweerd door mensen uit zijn directe omgeving - een jongen die man is geworden. Het is een sportman, die de nuance niet schuwt. Heeft hij teleurstellend gespeeld, dan geeft hij dat doorgaans best toe, maar hij wijst ook op die onderdelen van zijn spel die redelijk door de beugel konden. Speelt hij voortreffelijk, dan is hij geneigd tot relativeren. “Het ging wel lekker.” Ik mag dat wel. Eerder dan verwacht heeft hij Wimbledon veroverd. Het is waar dat hij in de halve en hele eindstrijd geen wereldtoppers tegenkwam. Maar laat niemand beweren, dat hij in het algemeen een makkelijke loting heeft gehad. De reputaties van Sampras en Stich zijn er om die bewering te ontzenuwen.

    • Herman Kuiphof