Ieder zijn lotnummer bij gebrek aan beter

ROTTERDAM, 9 JULI. Het systeem van loting voor te populaire studies is sinds de invoering in 1975 vrijwel voortdurend mikpunt geweest van kritiek. Want altijd zijn er briljante of zeer gemotiveerde studenten-in-spe die door de blinde selectie van de computer bij het ministerie van Onderwijs buiten de boot vallen.

Binnenkort zal staatssecretaris Nuis (Hoger Onderwijs) een commissie installeren die het lotingsysteem en mogelijke alternatieven tegen het licht zal houden. Al in 1975 werd het systeem 'voorlopig' ingevoerd, in de veronderstelling dat een beter systeem binnen een paar jaar kon worden gevonden, maar die hoop bleek vergeefs. De kern van het lotingsdilemma is dat alle andere selectiemethoden evenmin garantie op perfecte selectie bieden. Er zijn altijd studenten die ongemotiveerd of met lage eindexamencijfers aan hun studie beginnen maar al doende de smaak te pakken krijgen en alsnog briljante studenten blijken. Een universiteit kan wel alleen gemotiveerde studenten met de hoogste cijfers selecteren, maar anderen die achteraf bezien óók succes zouden hebben gehad krijgen daarmee geen kans. En dat is voor een samenleving die streeft naar meer gelijke kansen moeilijk verteerbaar. Om deze reden werd in de discussies over een nieuw stelsel voor hoger onderwijs van de afgelopen jaren 'selectie aan de poort' voor àlle studies afgewezen door kabinet en parlement. Er wordt alleen geselecteerd bij dure studies waar te veel belangstelling voor is. Dit jaar zijn dat geneeskunde, tandheelkunde, diergeneeskunde, biomedische wetenschappen en medische biologie. Andere studies moeten bij 'overaanmelding' hun capaciteit vergroten.

Om deze dilemma's van het selectiecriterium te omzeilen besloot het kabinet Den Uyl in de jaren zeventig een 'blinde' loting in te voeren: iedereen met een VWO-diploma kreeg een gelijke kans. Maar onder druk van de Kamer werd de blinde loting veranderd in een 'gewogen loting', die nog altijd bestaat: wie hoge cijfers heeft krijgt een grotere kans dan anderen. Elk jaar eind mei vindt in Groningen bij het Centraal Bureau Aanmelding en Plaatsing de trekking plaats. Hoe lager het lotnummer, hoe beter het vooruitzicht op een startbewijs. Half juni wordt de lotingscategorie vastgesteld, op basis van het gemiddelde eindexamencijfer. Er zijn zeven categorieën. A: eindcijfer hoger dan 8,5; B: van 8 tot 8,5; C: van 7,5 tot 8; D: van 7 tot 7,5; E: van 6,5 tot 7; F: lager dan 6,5. Categorie G is voor mensen met een bijzondere vooropleiding, zoals een opleiding in het buitenland, of een propedeuse in een andere richting. De kansen verhouden zich als A : B : C : D : E : F : G = 2,00 : 1,50 : 1,25 : 1,00 : 0,80 : 0,67 : 1,00. Het hele systeem komt erop neer dat je met een hoog lotnummer niet zoveel baat hebt bij goede eindexamenresultaten. De loteling met het hoogste lotnummer die vorig jaar werd toegelaten had nummer 4.400, van de 6.500 lotelingen voor 1.750 plaatsen.