Hollandse manoeuvres in La Courtine

Ze zijn er nog, de ilots: neerslachtige gebouwen van twee verdiepingen hoog, die mij en duizenden andere Nederlandse militairen tot woon- en slaapplaats dienden. Als we tenminste niet voor vorstin en vaderland in een tentje op de hei bivakkeerden. Staande bij de hoofdingang, Entreé du Président Poincaré, zie ik me weer binnenkomen, in volle bepakking, om te ontdekken dat er geen gewone vierkante kussens, maar rollen op de bedden lagen.

'Peluws' zei men vroeger wel. En voor ontlasting van de ingewanden moest je naar buiten om hurkend te verrichten wat we altijd zittend deden. Kortom, Frankrijk.

We zijn er weer met vakantie, ditmaal in de Limousin, een tamelijk ongerepte, bosrijke landstreek op ruwweg duizend kilometer van Amsterdam. Daar ligt ook La Courtine, dorp van 1500 zielen dat onverbrekelijk verbonden is met de gelijknamige legerplaats, een soort Harskamp op z'n Frans, met dit verschil dat ook buitenlandse troepen hier soms hun toevlucht zochten. Niet omdat het dorp zo bekoorlijk is - verre van dat zelfs - maar om de grote en uit militair oogpunt belangwekkende oefenterreinen die zich rond het plaatsje uitstrekken. Hoogbejaarde bewoners herinneren zich nog detachementen van Russen en Polen die enige tijd de heidevelden beproefden. Ook Duitsers kwamen er op manoeuvre en van 1959 tot en met 1964, vijf zomers lang, was La Courtine de verblijfplaats van verscheidene Nederlandse divisies.

Rijk de Gooyer zong er destijds over, op tekst van Eli Asser:

Beste ouders, lieve Ine

Ik schrijf dit uit La Courtine

Dat was lachen onder 't eten

Onze generaal is door een slang gebeten.

Als dienstplichtig soldaat van 21 jaar behoorde ik tot de eerste lichting die gedurende vijf weken in het Franse kamp werd gelegerd, zomer 1959: voor de plaatselijke nering, in het bijzonder cafés en bistro's, het begin van een reeks vruchtbare seizoenen, die de onrendabele en grimmige winters op dit 'Plateau de Millevaches' enigszins goedmaakten. In weerwil van zijn zuinige imago liet de gemiddelde Nederlander het geld soepeler rollen dan de Franse soldaat, maar dat viel de laatste niet aan te wrijven. Ik herinner me dat we ons hele speksnijders voelden vergeleken met de zuidelijke collega's. Terwijl zij zich moesten redden met dertig oude francs per dag (ongeveer een kwartje, amper genoeg voor één glas wijn), mochten wij boven onze normale soldij van ƒ 1,25 daags een toelage van ruim een gulden ontvangen.

La Courtine revisited, maar dat valt bitter tegen. Zomer 1996 blijkt het dorp ernstig door verval getroffen. Veel winkels zijn dichtgespijkerd en de meeste kroegen houden zich duidelijk met de moed der wanhoop staande. Het stationnetje is opgedoekt en herbergt nu een slagerij. Ook de markt die zojuist is opgebouwd weet weinig fleur te brengen. Geen vruchten des velds, maar grauw textiel en naaimachines.

Eerlijkheidshalve moet ik hieraan toevoegen dat het weerzien met La Courtine zich al eens eerder had afgespeeld, in mei 1970, toen het kamp zich opmaakte om na zes jaar weer een bataljon Nederlanders te ontvangen: de aanleiding voor een reportage in toen nog de Nieuwe Rotterdamse Courant, kort voor de fusie met Algemeen Handelsblad.

Die journalistieke onderneming ging gepaard met een privé-actie ter opsporing van een zekere Nicole, die me in 1959 als fraaiste helft van een achttienjarige tweeling bijzonder had geboeid. Ik heb haar elf jaar later inderdaad teruggevonden, wat me een illusie armer maakte. Ze dreef, inmiddels getrouwd en moeder van twee kinderen, een in weke pasteltinten uitgevoerde bar, Oasis geheten, en herkende me pas na lang aandringen: er liep destijds immers zoveel geüniformeerd volk uit Nederland rond. Omgekeerd was er ook een ruime verbeeldingskracht nodig om in de 29-jarige, maar uitgebluste en sterk vermagerde vrouw het frisse, opgeruimde meisje uit '59 te ontdekken. Wat het huwelijk niet kan aanrichten.

Nog eens 26 jaar later doe ik maar geen moeite de kennismaking te herhalen. We zijn trouwens samen, mijn vrouw en ik. Tegenover de Entrée du Président Poincaré koop ik enkele ansichtkaarten. De man achter de toonbank weet niets van de Hollanders, omdat hij toen op school zat in Bourges. Zou William van Hal hier nog wonen? Hij was van mijn lichting, trouwde met een meisje uit La Courtine en vestigde zich aan de rand van het dorp als kweker van border- en potplanten. Maar ook hem laat ik rusten, we hebben tenslotte vakantie.

Wel blijft dat lijzige deuntje van Rijk de hele dag door mijn kop zeuren. Beste ouders, lieve Ine...

    • F.G. de Ruiter