Gedetailleerd tot in het roefje; Nieuw museum voor modelbouwsels

Modelbouwmuseum, Noordeinde 2a, Leiden. Geopend: di t/m za 10-17u, zo 13-17u.

Elfhonderd vliegtuigjes heeft H.L. Kerkhof in zijn vrije tijd in elkaar geknutseld. Er zitten 31 Messerschmitts tussen - schaal 1:72, geen model ontbreekt - waarvoor één bouwpakket als basis diende. Stonden deze toestellen tot nu toe weggeborgen in een hobbykamer, sinds kort pronken ze op zolder in het Modelbouwmuseum te Leiden.

“We wilden iets anders”, zegt directeur B. Leeuwenburgh. “Een modelbouwmuseum heb je nergens, ook niet elders in Europa. Toch zijn er massa's mensen die in het modelbouwen aardigheid hebben, of die er als architect en industrieel vormgever professioneel mee bezig zijn. Tel de abonnees van de tijdschriften en de leden van de verenigingen en je komt op 800.000 potentiële bezoekers.” Daarvan moeten er per jaar 40.000 naar Leiden komen. Over de locatie van zijn museum heeft Leeuwenburgh geen klagen: de Kweekschool voor Zeevaart, die vroeger Jantjes van Leiden afleverde, ligt schitterend aan het Galgewater en heeft ruime zalen. Een maand na de opening is de collectie gegroeid tot 350 modellen: schepen, vliegtuigen, poppenhuizen, treinen, auto's, handkarren en bouwwerken. “Dat aantal moet snel omhoog”, zegt Leeuwenburgh, “naar 500 in september en 1000 volgend jaar.”

Op zolder staan de schepen en de vliegtuigen. W.G.M. Aanhane leverde een oude Bunschoter botter, schaal 1:10 en gedetailleerd tot in de roef. Er zit een paar duizend uur werk in. Niet minder imponerend is de Paminusch, het luxe motorjacht van Baron von Bitburg. De bouw kostte Th. de Wolf zeven jaar lang zijn avonduren. Het schip vaart echt. “Veel modelbotenbouwers willen hun radiografisch bestuurde speeltjes tijdens hun vakantie niet kwijt”, zegt Leeuwenburgh, “in september komen er nog veel meer.”

Aan de voorzijde van de zolder staat een Fokker D-VII, een jachtvliegtuig uit de Eerste Wereldoorlog, nagebouwd uit balsahout en triplex en bekleed met Japans zijdepapier. Een juweeltje, maar hij valt in het niet bij de Atlanta, een Boeing 747 van de KLM, vijf meter lang en 56 kilo zwaar. Eenmaal heeft dit model gevlogen - met een speciale vergunning omdat zo'n enorm toestel een piloot aan boord hoort te hebben. Sindsdien stond hij bij de bouwers thuis in kisten, tot Leiden eerherstel bood.

Al deze modellen heeft het museum in bruikleen. Voor aankopen is geen geld en bovendien blijkt de band tussen maker en model hecht. Leeuwenburgh heeft moeten praten als Brugman om argwanende modellenbouwers over de streep te trekken. “Toezeggingen kwamen moeizaam los. Ze wilden allemaal eerst het gebouw zien en een flink deel van het budget is in beveiliging gaan zitten. Bijna alles arriveerde kort voor de opening en moest in een vitrine, onbereikbaar voor nieuwsgierige handen.”

In de aanloop naar een volwassen collectie - de Leidse Museumvereniging heeft haar aanvankelijke scepsis laten varen en de nieuwkomer het lidmaatschap aangeboden - is de inrichting sober en statisch. “Wisseltentoonstellingen brengen dynamiek”, zegt Leeuwenburgh, die werkende stoommachines wil en knoppen die 'iets teweegbrengen'. Een persluchtleiding ligt al klaar. De werkplaats, waar vrienden van het museum aan hun geliefkoosde modellen onderhoud mogen plegen, wacht nog op een technisch gekwalificeerd toezichthouder. Een documentatiecentrum gaat bemiddelen bij het opsporen van tekeningen.

Opvallend afwezig in Leiden zijn raketten - er is overleg met Space Expo in Noordwijk - en militaire voertuigen. “Aan modelbouwers van tanks en fregatten geen gebrek”, zegt Leeuwenburgh, “maar het is schuw volk dat in het verleden vijandig is bejegend.” Graag zou de directeur het amateuristische imago afschudden door industriële modellen binnen te halen, die dan wel in het gebouw moeten passen. “Ik denk aan kraakinstallaties die de petrochemische industrie gebruikt om het personeel te instrueren. Ook pronkstukken zijn welkom. Zo leent offshorebedrijf Heeremac ons een prachtmodel van een drijvende kraan en met Siemens zijn de eerste contacten gelegd over de bruikleen van een Feyenoordstadion.”

Al deze modellen vallen in het niet bij de Romaanse kerken van J.B.A. Terlingen en G.M.J. Engelbregt. Aan de hand van gedetailleerd bronnenonderzoek heeft dit duo reconstructiemodellen gemaakt van de oude St. Pieter, het klooster van Cluny en het geografische kerkenkruis in Utrecht - zoals dat er idealiter zou hebben uitgezien. Een aparte vitrine is gewijd aan de werkwijze van de Utrechtenaren. Een kwart eeuw is er in de keuken en de garage volijverig gefiguurzaagd en gelijmd, elk onderdeeltje is met de grootste precisie getekend. Resultaat: een magnifieke collectie. Spiegels geven de toeschouwer een blik van onder op het interieur. Inmiddels zijn de eerste kunsthistorici in het Modelbouwmuseum gesignaleerd.

    • Dirk van Delft