Dertig verloren jaren

Meike Vernooy, die op haar eindexamen vier tienen en vier negens had gehaald, moet gewoon met de grote hoop meeloten. De Erasmus Universiteit Rotterdam geeft haar geen voorrang voor de studie geneeskunde, die zij wil volgen. De wet op het hoger onderwijs laat dit niet toe. Nooit is de absurditeit van die wet zo kras aangetoond.

Maar er gloort hoop - zij het misschien niet voor Meike. De Universiteit Utrecht lijkt het stelsel van nivellering of, als u een mooier woord wilt, verdelende rechtvaardigheid waar de Nederlandse academische wereld onder zucht, doorbroken te hebben. In september 1997 wil zij een college naar Engels model openen, waar maximaal zeshonderd studenten intern wonen.

Die studenten krijgen in drie jaar een zwaar programma te verwerken, van ten minste 55 uur per week. Wie daar niet aan voldoet, kan niet blijven hangen of een herexamen doen. Hij of zij ligt eruit en moet een andere opleiding kiezen, eventueel aan de Utrechtse universiteit zelf.

Tijdens hun studie worden de studenten in kleine groepen - maximaal 25 - begeleid door tutoren, die veel aandacht zullen besteden aan werkstukken, scripties, überhaupt aan prestatie.

Na drie jaar kan de student overstappen naar de doctoraalstudie in het vak dat hij op het college had gekozen (letteren, natuurwetenschappen of sociale wetenschappen), maar hij kan ook zijn studie aan een buitenlandse universiteit afmaken of met zijn graad direct de maatschappij in gaan.

Toelating tot het college geschiedt “binnen de wettelijke context”, maar in voorgesprekken wordt de sollicitant gewaarschuwd voor wat hem te wachten staat. Het collegegeld is niet verschillend van dat voor elke andere studie, verhoogd evenwel met een bijdrage van ongeveer tien- à twaalfduizend gulden. Een apart fonds is er om minder draagkrachtigen de kans te geven toch die studie te volgen.

Belangrijker dan de details is het feit dat binnen de universiteit intellectuele elitevorming wordt geïntroduceerd - al wordt het woord niet genoemd. Talent en werkkracht worden gehonoreerd, zodat de besten ter beschikking komen van maatschappij of wetenschap en zich kunnen meten met de produkten van de beste buitenlandse universiteiten. Al zal het een proces van lange adem zijn, dat nog vele moeilijkheden zal hebben te overwinnen - het begin is er tenminste.

In feite hebben we daar dertig jaar op gewacht. Omstreeks het midden van de jaren zestig kwam er een discussie op gang over de wenselijkheid van een grotere differentiatie binnen de universitaire wereld - differentiatie tussen universiteit en universiteit, maar ook differentiatie tussen studenten binnen één universiteit. Ook werd gesproken over de oprichting van centers of excellence, eventueel buiten de universiteit.

Onder de eersten die de kat de bel aanbonden, bevond zich de toenmalige commissaris der koningin in Zuid-Holland, mr. J. Klaasesz, die in 1964 pleitte voor een “elite-universiteit”, ergens in de Zuiderzeepolders te vestigen. Ook de Rotterdamse econometrist prof. H. Theil, die later naar Chicago zou verhuizen, sprak zich daar voor uit, hoewel hij die universiteit liever in Zuid-Limburg zag verrijzen.

Onder de andere deelnemers aan die discussie, die ook haar weerslag vond in deze rubriek, waren de hoogleraren W.G. Burgers (Delft), C.A. van Peursen (Leiden), C.M. Braams (Utrecht), die allen op enigerlei wijze elitevorming bepleitten, en de ambassadeurs G.E. van Ittersum en H.N. Boon. Die discussie vond haar - bescheiden - hoogtepunt in 1966, dus dertig jaar geleden.

Toen al waren de meeste deelnemers zich ervan bewust dat hun pleidooien zouden stuiten op diepgewortelde Nederlandse tradities. Boon sprak van het beginsel van de “verdelende rechtvaardigheid” dat zich ertegen zou verzetten. In de taal vond hij bevestiging van een wantrouwen jegens uitnemendheid: iemand is hier “eng” of “griezelig” knap. Theil schreef: “Wij hebben meer belangstelling voor het verbeteren van extreem slechte toestanden dan voor het verder verbeteren van wat al goed is (of wat wij menen dat goed is).”

Toch zijn het niet die weerstanden waarop het beginsel van intellectuele elitevorming is gestrand. Het is de revolutie van de tweede helft der jaren zestig en de jaren zeventig, met haar gelijkheidsmanie en haar weerzin tegen hard werken - waarnaar ook vele docenten en bijna alle politici, onder wie ministers van Onderwijs, hun oren lieten hangen - die deze discussie heeft gesmoord. Een pleidooi voor elitevorming - zelfs voor intellectuele elitevorming - kreeg geen voet aan de grond.

Na dertig jaar weten we langzamerhand hoeveel kwaads die revolutie heeft aangericht, vooral aan de universiteiten. Bijna iedereen is ervan teruggekomen - behalve degenen die ervan geprofiteerd hebben en er hun niet op wetenschappelijke gronden verkregen posities aan hebben te danken, maar die categorie sterft ook geleidelijk uit. Zo lijkt de tijd rijp voor een hervatting van de discussie over intellectuele elitevorming.

Het blijkt uit een bliksemenquête die de Volkskrant heeft gehouden over het Utrechtse plan. Voorspelbaar was de reactie van de Landelijke Studentenvakbond (LSVB): “Zo'n college is een elite-instituut, en dat keuren wij af.” Zo'n bond is conservatief geworden: hij wil de “verworvenheden” van de jaren zestig behouden.

Interessanter is het commentaar van Tom de Greef, die in die jaren actief was in de LSVB: “...extra zorg voor de aankomende intellectuele elite lijkt me geen gek idee. [...] De een is nu eenmaal slimmer of dommer dan de ander.” En van R. van der Ploeg, lid van PvdA-fractie in de Tweede Kamer (en hoogleraar economie aan de Universiteit van Amsterdam): “Dit is precies wat ik in Nederland wil: er moet hier harder gestudeerd worden.”

Laat, maar (laten we hopen) niet te laat. In elk geval: dertig verloren jaren.

    • J.L. Heldring