Blij

Krijg ik me daar zomaar weer 's een prijs. Voor mijn boek De mechanica van het liegen. De Busken Huetprijs voor de beste essays van 1995. Typisch een prijs die je verrast. Je hebt er in het geheel niet naar zitten uitkijken, maar eenmaal aan je toegekend - tja, ligt het eigenlijk wel voor de hand.

Want - zo werkt het - je essays worden er opeens nog een stuk mooier door, ze krijgen een glans over zich, door zo'n prijs. 'k Ben opeens ook een tikje meer essayist dan ik altijd dacht dat ik was.

Ik ben geprijsd en geprezen, heb een jacquet aangetrokken en de jury kan me, de hand aan m'n elleboog, geleiden en plaatsen waar ze me hebben wil. Het rapport dat zij heeft gepubliceerd is zeer lovend. Een tien. Op zich is dat niet bijzonder. Elk juryrapport dat een prijs ondersteunt is zonder enige restrictie lovend, bij mijn weten. Ze geeft daarbij, in haar zorgvuldig gestelde motivering, blijk van een totale liefde, in het uitroepen van de winnaar is ze strikt eenkennig. Er zijn voor dezelfde prijs geen twee winnaars. Laat vóór de uitslag de strijd nog een diffuus beeld zien van mogelijke kanshebbers, de kans uitgedrukt in procenten en de mogelijkheid in namen als de kans groot is - op het moment van de uitslag is er maar één en de rest is afgevallen.

Zo zit dat, met literaire prijzen. Dat ik dan, eigenlijk ten overvloede dus, uitroep dat ik een tien had, wat een beetje geëxalteerd mag lijken, is mij ingegeven door de fonkelende formulering van de jury, die de 'helderheid' prijst 'waarmee de winnaar zijn gedachten verwoordt in het mooiste, het lenigste Nederlands denkbaar.'

Kijk, dat zegt wat. Zoiets willen de kranten graag citeren, heb ik gemerkt. Een zinsnede om enkele keren te herlezen. (Ik prijs de jury en zij krijgt een tien van mij terug.) Maar er is nog een andere reden waarom ik die woorden met zoveel instemming in de kranten zag staan. En die is dat een hele hoop neefjes en nichtjes van mij en kennissen en buren en kennissen van vroeger die ik uit het oog ben verloren en nieuwe kennissen en leveranciers, die misschien niet zo precies weten wat een essay is of als ze dat wel weten, er niet zo vaak een lezen - nú weten (als ze tenminste de krant lezen) dat die stille man die altijd maar op zijn kamer zit te pennen en te staren - dat die er wat van kan. Dat is voor hen ook prettiger, als ze mij ontmoeten. Dat is het belang dat ik aan prijzen hecht, en aan de woorden waarmee ik word geprezen.

Er stond nog een zin in het rapport die, minder geciteerd, eveneens een tien waard is. De jury prees zich gelukkig dat juist in dát jaar, dat De mechanica van het liegen verscheen, zíj de jury mocht zijn. Voor deze conjunctie waren zij het toeval dankbaar en ik wil mij, in jacquet nog steeds, bij hen voegen en zeggen dat ik hun visie deel en wel in hevige mate. Niet alleen de winnaar, ook de juryleden en het jaar zijn, wiskundig gezegd, integere grootheden, gehelen. Het is eigenlijk een wonder dat wij in de dagelijkse zee van mogelijkheden en halve mogelijkheden en procenten telkens weer in staat zijn te kiezen voor gehelen. De dobbelsteen, in al zijn onbestemdheid, kan niet anders.

Blij dus. En als ik zeg 'blij', overzie ik een groot, zonnig gebied in mijn geest. Ik heb 's een gieter gewonnen. In het dorpszaaltje uit mijn vorige dorp kreeg ik ten aanschouwen van iedereen de hoofdprijs omdat ik het juiste lot had getrokken. De gieter hoog boven m'n hoofd houdend liep ik van het toneel terug naar mijn plaats - zegevierend. Want als het lot je goed gezind is, voel je dat toch altijd een beetje als je eigen verdienste. Anderen, denk je op dat moment, hebben toch maar mooi niet zo'n gieter.

Is het lot je niet goed gezind, dan is dat de schuld van het lot. Daar past een gezonde onverschilligheid.

    • Gerrit Krol