Angst in Turkije voor sluipende islamisering

ANKARA, 9 JULI. Is het vertrouwen dat de moslim-fundamentalistische Welvaartspartij gisteren van het Turkse parlement kreeg, een belangrijke stap op weg naar wat uiteindelijk moet uitgroeien tot een alleenheerschappij van de politieke islam in deze seculiere staat? Of zal de groeiende aanhang van de Welvaartspartij juist afnemen nu de religieus-fundamentalisten gedwongen zijn regeringsverantwoordelijkheid te dragen?

Dat zijn de twee vragen waar de wereldlijk georiënteerde meerderheid in Turkije zich het hoofd over breekt nu voor het eerst in de ruim zeventigjarige geschiedenis van de seculiere republiek de leider van een moslim-fundamentalistische partij het tot premier heeft gebracht. Vooralsnog overheersen gemengde gevoelens. Want wat ook na de parlementsverkiezingen in december nog onmogelijk leek, is dus toch gebeurd. Het argument was toen dat de Welvaartspartij met 21,3 procent van de stemmen weliswaar als de grootste partij uit de bus was gekomen maar dat haar aanhang nog steeds te klein was om de politieke islam als een duidelijk alternatief aan te merken. Een kleine 80 procent van het electoraat had immers zijn stem uitgebracht op een seculiere partij.

Onder aanvoering van het leger en de ondernemerswereld werd het volgende scenario uitgedacht om de Welvaartspartij te verhinderen aan de macht te komen: de twee rechtse partijen, die samen een krappe 40 procent van de stemmen behaalden, moesten zich verenigen om zo een dam op te werpen tegen de politieke islam. En men slaagde er na maanden van moeizaam onderhandelen in om de aartsrivalen Tansu Çiller van de DYP en Mesut Yilmaz van de centrum-rechtse Moederlandpartij (ANAP) in een minderheidsregering te verenigen.

Begin juni, een kleine drie maanden later, lag die politieke droom al in duigen. De religieus-fundamentalisten slaagden erin een meerderheid in het parlement achter zich te krijgen, waaronder een deel van de ANAP-afgevaardigden, voor drie onderzoeken naar vermeende corruptie door mevrouw Çiller. Dat was voldoende reden voor Çiller om het vertrouwen in haar coalitiepartner, Yilmaz, op te zeggen. Necmettin Erbakan kreeg vervolgens, als leider van de grootste partij, de opdracht om een nieuwe regering te vormen.

De kijk van de ondernemers en naar verluidt ook die van het leger op de Welvaartspartij is door deze politieke crisis, en de stemmenwinst van de politieke islam bij de tussentijdse gemeenteraadsverkiezingen, gewijzigd. Men kiest nu vooral voor een pragmatische aanpak. Het is immers duidelijk dat het niet mogelijk is om een stabiele regering te vormen in Turkije zonder de Welvaartspartij. Bovendien groeit de vrees dat het uiteindelijk nog wel eens schadelijker zou kunnen zijn om de religieus-fundamentalisten te verhinderen aan de macht te komen, gezien de martelaarsrol die men dan kan uitbuiten.

De huidige coalitieregering van de Welvaartspartij en de conservatieve DYP is de uitkomst van dat proces. Voor mevrouw Çiller, die er veel voor over heeft om uiteindelijk niet voor de Hoge Raad te moeten verschijnen op beschuldiging van corruptie, biedt de regering een opening om haar politieke toekomst veilig te stellen. En voor de 70-jarige Erbakan gaat alsnog een langgekoesterde wens in vervulling: uiteindelijk wordt hij toch nog premier. Het was verrassend om vrijdagnacht tijdens een urenlange discussie op een van de Turkse televisienetten over de Welvaartspartij te horen dat ook de tegenstanders van de politieke islam er geen enkele moeite meer mee hebben om te erkennen dat de partij een politieke realiteit is. De politieke islam heeft zich een machtspositie verworven in de Turkse politiek die tot voor kort nog ondenkbaar was.

Daarmee is de angst in seculiere kringen voor de toekomst van Turkije met Erbakan als premier niet verdwenen, ook al heeft de Welvaartspartij een gematigde houding aangenomen. In het regeringsprogramma wordt zelfs met geen woord gerept over Erbakans aanvankelijke plannen voor de invoer van een islamitische dinar, de oprichting van een economische unie van islamitische staten, de heropening van de onderhandelingen over bepaalde punten in de douane-unie met de Europese Unie, een heroverweging van de positie van Turkije binnen de NAVO, evenals zijn kritiek op het in februari overeengekomen militaire samenwerkingsverdrag tussen Turkije en Israel. De nieuwe regering wil de banden met het Westen zeker niet verbreken maar zelfs verder aanhalen op basis van wederzijds eigenbelang. In Turkse diplomatieke kringen wordt al schuchter geopperd dat een regering met een zo duidelijke pro-Westerse minister van Buitenlandse Zaken als Çiller en een moslim-fundamentalistische premier als Erbakan het land op de langen duur zelfs wel eens tot voordeel zou kunnen strekken.

Voor een belangrijk deel van het volk is het bovendien een geruststellende gedachte dat het leger, de traditionele beschermer van het wereldlijke karakter van Turkije, uiteindelijk zal ingrijpen als de politieke islam de grenzen al te ver verlegt. Daarmee is niet gezegd dat op korte termijn rekening moet worden gehouden met die mogelijkheid. Temeer omdat Erbakan vooralsnog immers niet blijk geeft van een radicale koers. De angst is veeleer dat de islamisering van Turkije vooral een sluipend proces zal zijn, waar ook door de militairen moeilijk precies de vinger op valt te leggen. De initiatieven tot de islamisering zullen aanvankelijk vooral in de culturele en de onderwijskundige sfeer worden ontplooid. Daaronder valt ongetwijfeld ook het opheffen van het verbod op het dragen in overheidsdienst van de streng islamitische hoofddoek, die door de secularisten in Turkije als een politiek symbool wordt gezien. Dat biedt met name de vrouwelijke aanhang van de Welvaartspartij (een kwart van de leden is vrouw) de mogelijkheid om banen op belangrijke posities te verwerven en daarmee de greep van de politieke islam op het overheidsapparaat te vergroten.

Eveneens bestaat de indruk dat Erbakan ondanks de enorme schuldenlast waaronder Turkije gebukt gaat, niet zal besluiten tot het nemen van drastische economische maatregelen die vooral de minst draagkrachtigen zouden treffen. Politieke waarnemers verwachten dat juist het tegenovergestelde het geval zal zijn: de Welvaartspartij zal zich veel minder dan voorgaande regeringen laten leiden door de dwingende adviezen van internationale financieringsinstellingen als het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank om een versoberingspolitiek te voeren. Er wordt zelfs aangenomen dat in de komende dagen bijvoorbeeld ambtenaren niet de voorgestelde 30, maar 40 procent loonsverhoging krijgen.

Met deze populistische verkiezingspolitiek is Erbakan vooral uit op het vergaren van stemmen. Want uiteindelijk is het er de Welvaartspartij toch om te doen om bij de volgende parlementsverkiezingen met een riante meerderheid alleen aan de macht te komen. Anderen wijzen er juist op dat ook Erbakan niet ongelimiteerd zijn gang kan gaan en dat hij, gezien de economische problemen, niet onder impopulaire maatregelen uit kan.

Hiermee zal de premier niet zozeer zijn islamitische achterban van zich vervreemden, maar in ieder geval wel de proteststemmers, die juist wat betreft het dichten van de groeiende kloof tussen arm en rijk hun hoop op de politieke islam richten.

    • Froukje Santing