Voor Westen is in Japan veel te halen

Japan investeert overal ter wereld, ten bate van de eigen economie. Volgens Kees Zijlstra wordt het tijd de rollen eens om te draaien. Laten wij eens in Japan investeren. De omstandigheden daarvoor zijn gunstiger dan ooit.

Japanse fabrieken vinden we overal ter wereld en dat is heel gewoon. Zelfs in mijn bescheiden woonplaats Sneek staat een Japanse fabriek voor ritssluitingen. De Japanse investeringen in het buitenland zijn enorm gestegen; van 1989 tot 1995 verdubbelden ze tot een bedrag van tegen de 300 miljard dollar vorig jaar. Dat werd mogelijk gemaakt door het grote overschot op de lopende rekening van de Japanse betalingsbalans. Daartegen steken de buitenlandse investeringen in Japan pover af; ze bedroegen de laatste jaren met enkele tientallen miljarden dollars niet meer dan een fractie van de stroom vanuit Japan.

In zijn strijd om de Japanse markt concentreert het Westen zich vooral op vergroting van het handelsvolume. Dat lijkt de laatste tijd wat beter te lukken, maar het is een hels karwei om met name de informele barrières, zoals de keiretsu en de solidaire alias 'culturele' weerstand, te slechten.

De belangrijkste doorbraak zal naar verwachting de liberalisatie van de rijstmarkt zijn. Als gevolg van de GATT-akkoorden zullen mogelijk enkele miljoenen Japanse boeren hun voornaamste broodwinning verliezen, met alle sociale gevolgen vandien. Maar ook daarmee worden geen handelsbarrières opgeruimd, die voor het Westen belangrijk zijn.

De onevenwichtigheden in onze economische relatie met Japan, die vooral op het gebied van industrie en dienstverlening liggen, worden daarmee allerminst opgeheven. Japanse ondernemingen zijn grootscheeps in Europa en Noord-Amerika gaan investeren om dreigende handelsbelemmeringen te ontgaan. Naar mijn overtuiging zou men in het Westen hetzelfde recept moeten toepassen om duurzaam in de Japanse economie te kunnen doordringen.

De omstandigheden daarvoor worden steeds gunstiger. Toen de luchtbel van de opgeblazen grondprijzen enkele jaren geleden uiteenspatte, schudde de Japanse bankwereld op zijn grondvesten, maar dat was tegelijkertijd allerminst ongunstig voor buitenlandse investeringen. De prijsval zal waarschijnlijk nog versterkt worden door de uittocht van de rijstboeren. Hoe duur, maatschappelijk gezien, (buitenlandse) rijst betaald zal worden, de grond zal opnieuw in prijs dalen. Van belang is ook dat de rente op de Japanse kapitaalmarkt aanmerkelijk onder die van West-Europa en de Verenigde Staten ligt. En dat maakt in beginsel financiering via Japanse banken extra aantrekkelijk.

Om in Japan te gaan produceren heeft men ook Japanse arbeidskrachten nodig. Het is dan belangrijk te weten hoe de arbeidskosten zich zullen ontwikkelen. Welnu, in de laatste vijf jaar stegen de lonen in de 'business-sector' nauwelijks meer dan de inflatie bedroeg; de stijging van de produktiviteit sloeg nagenoeg niet in de lonen neer. De neerwaartse druk op de lonen zal in de naaste toekomst zeker aanhouden. Japan kent nu een werkloosheid van 3,5 procent. Dat is naar Europese begrippen niet veel, maar voor Japan exorbitant hoog. Algemeen wordt verwacht dat het overschot op de arbeidsmarkt nog zal toenemen. Meer Japanse produktie in het buitenland betekent minder arbeidsplaatsen in Japan zelf; daar komt de te verwachten exodus uit de landbouw nog bij. Alleen voortgezette matiging van de lonen kan de werkloosheid binnen aanvaardbare grenzen houden.

Men zal tegenwerpen, dat dit alles wel aantrekkelijk is zolang men in yens redeneert, maar dat het heel moeilijk wordt zodra men voor die yens bijvoorbeeld guldens moet neertellen. Omgerekend via de hoge wisselkoers van de yen liggen de kapitaalkosten en de loonkosten immers nog altijd ver boven het niveau in de Europese Unie en in Noord-Amerika. Mijn verwachting is dat dit steeds minder een beletsel zal gaan vormen. De signalen wijzen in de richting van een tendentiële waardevermindering van de yen. Daarbij spelen de sociale lasten in Japan en het financieringstekort in vergelijking met de Verenigde Staten en de Europese Unie een cruciale rol.

Japanners worden ouder dan mensen waar ook elders ter wereld. Bij vrouwen is de levensverwachting inmiddels 83 jaar en bij mannen bijna 77. Geschat wordt, dat in 2025 niet minder dan 25,8 procent van de Japanse bevolking ouder dan 65 jaar zal zijn, tegen 18 procent in de VS en rond 21 procent in de EU. Men voelt de bui van de grijze haren aankomen en probeert alvast een paraplu op te steken. De pensioengerechtigde leeftijd gaat van 60 naar 65 jaar en de hoogte van het pensioen gaat van 70 procent van het laatst verdiende inkomen naar 60 procent. Maar of dat echt lucht geeft aan de overheidsfinanciën is hoogst twijfelachtig. Zeker als men de lasten van een topzwaar overheidsapparaat, van een onvermijdelijke sanering van het bankwezen en van de stijgende werkloosheidsuitkeringen er bij in aanmerking neemt. Nu al ligt het Japanse financieringstekort flink boven de drie procent. De nationale schuldquote is 90 procent en zal volgens prognoses nog verder stijgen. Japan, met zijn ogenschijnlijk zo sterke valuta, zou zich dus niet eens voor de EMU kwalificeren!

Bij de belangrijkste Westelijke handelspartners staan de richtingaanwijzers meestal andersom. In de VS zal de verlaging van het financieringstekort hoogstwaarschijnlijk fors doorzetten en hetzelfde geldt voor de schuldquote. Ook in de EU wordt door de bank genomen vermindering van de tekorten of op zijn minst stabilisatie verwacht. Het kan niet anders of dit moet neerslaan in een daling van de waarde van de yen. Het zou ook moeten neerslaan in hogere Westelijke investeringen, of ze nu vanuit de VS of de EU gefinancierd worden dan wel, beter nog, door leningen in yens bij Japanse banken.

De lastigste horde, die genomen moet worden als men in Japan een bedrijf wil vestigen is waarschijnlijk de keiretsu. Letterlijk betekent het: verbinding, in economische termen komt het neer op conglomeraat of kartel. Volgens de meeste Westerse onderzoekers zijn het vooral de informele keiretsu-afspraken binnen en tussen Japanse giganten, die buitenlandse vestiging in de weg staan. MacArthur heeft na de Tweede Wereldoorlog de keiretsu formeel ontbonden, net als dat in Duitsland met conglomeraten als IG Farben gebeurde, maar de natuur blijkt sterker dan de leer.

Keiretsu-groepen als Mitsubishi en Sumitomo bestaan uit vele industriële bedrijven plus een grote bank, vaak een spaarbank, een verzekeringsmaatschappij, een handelsfirma enzovoort. Officieel hebben die niets gemeen behalve hun louter historisch te verklaren naam. Officieel komen onderlinge afspraken en zaken als kruiselings aandelenbezit niet voor, want ze zijn strijdig met de anti-monopolie-wet. Maar de praktijk is anders en het is moeilijk vechten tegen 'cartels of the mind'. Dat lukt pas goed als effectief tegenspel wordt geboden door instanties als een Bundeskartellamt, een Federal bureau of anti-trust in de VS of een Europese Commissie. En juist dat ontbreekt in Japan.

Bezoekers van het machtige Ministry of International Trade and Industries (MITI) wordt gevraagd Japan te ondersteunen als kandidaat voor de Wereldtentoontelling in 2005. Het zal aan Tokio duidelijk gemaakt moeten worden, dat dit soort steun pas verleend kan worden als buitenlandse investeringen geen hinder meer ondervinden van keiretsu-praktijken.

Net als in Japan geeft het grote overschot op de Nederlandse handelsbalans aanzienlijke ruimte voor investeringen in het buitenland. Nederland is zelfs de op twee na grootste investeerder in de VS. Het wordt tijd om ook eens in Japan rond te gaan kijken.

    • Dr. Kees Zijlstra