Laatste Europese pogrom herdacht

KIELCE, 8 JULI. “Vijftig jaar lang was, elke keer als we de naam Kielce uitspraken, de eerste gedachte die op die naam volgde: pogrom. Kielce was het antwoord op de vraag of er na Auschwitz nog joden zouden worden vermoord. Kielce toonde aan dat normale burgers even wreed kunnen zijn als de moordenaars in de dodenkampen.”

Elie Wiesel zegt het emotioneel, met stemverheffing. De Nobelprijswinnaar en Auschwitz-overlevende is niet van plan zijn gehoor - de Poolse premier, Poolse bisschoppen, Poolse functionarissen, Poolse burgers, burgers van Kielce - te sparen.

“In 1945 dachten we dat het antisemitisme ten onder was gegaan samen met zijn slachtoffers, dachten we dat met de joden het antisemitisme was gestorven. Maar het leefde voort”, zegt Elie Wiesel. “De vernietigingskampen waren een Duitse uitvinding. Maar Kielce was geen Duitse uitvinding. Kielce was Pools. De haat was Pools.”

Elie Wiesel zegt het op een podium, dat voor de gelegenheid is opgetrokken naast een drie verdiepingen hoog, wit gepleisterd gebouw, aan de Plantystraat nummer 7/9, in Kielce. Dit huis, nu met een reisbureau op de begane grond en met flats erboven, was vijftig jaar geleden, op 4 juli 1946, het toneel van de laatste grote pogrom van Polen en van Europa.

Vijfduizend Polen, inwoners van Kielce, sloegen hier, aangevoerd door politiemannen en gesteund door soldaten, in een orgie van haat die een volle dag duurde 42 joden dood. Tweeënveertig van de 250 joden die op dat moment in Kielce waren teruggekeerd. Zij werden van de derde verdieping op straat gegooid, een baby van twee weken net zo goed als bejaarde overlevenden van de Duitse kampen. Zij werden doodgestoken en doodgeknuppeld. Zij werden de straat opgejaagd en achtervolgd en doodgeslagen.

Vijftig jaar lang was die pogrom een Pools taboe: er mocht niet over worden gesproken. De pogrom was voor een meerderheid van de Poolse joden die de Duitse vernietigingskampen hadden overleefd aanleiding tot emigratie. In de vier jaar na 'Kielce 1946' vertrokken 130.000 Poolse joden naar Israel en de VS. Decennia lang herinnerde aan het huis aan de Planty in Kielce niets aan het bloedbad van juli 1946. Pas zes jaar geleden werd er een plaquette op de gevel aangebracht. En pas nu, op deze zondag, 7 juli 1996, kan de pogrom van Kielce voor het eerst officieel worden herdacht.

Kielce is een saaie provinciestad in bebost heuvelland, 180 kilometer ten zuiden van Warschau, een lelijke stad met wat monumentale gebouwen in het centrum en verder veel socialistische flats, eindeloze rijen van fantasieloze blokkendozen, een stad die je snel vergeet als je er weg bent.

Voor de oorlog woonden in Kielce 20.900 joden. Zij maakten een derde van de totale bevolking van Kielce uit. Van die 20.900 joden slaagden er 500 in vóór de komst van de Duitsers naar de Sovjet-Unie te vluchten. Van de 20.400 joden die achterbleven werden er in de oorlog 20.200 vermoord: slechts 200 joden uit Kielce, minder dan één procent van de vooroorlogse joodse bevolking, overleefden Auschwitz en Treblinka en de andere dodenkampen.

In 1945 werden twee huizen in Kielce ingericht als tijdelijk opvangcentrum voor de joden die uit de Sovjet-Unie en uit de kampen naar Kielce terugkeerden. Een van die huizen was dit hier, Planty 7/9.

Pagina 5: 'Kielce' was geen uitzondering in na-oorlogs Polen

Geen spreker staat stil bij het feit dat het Poolse antisemitisme nog steeds bestaat, ook al zijn er bijna geen joden meer in Polen.

De pogrom van 4 juli 1946 begon met een jongen van een jaar of tien, Henryk Blaszczyk, die van huis was weggelopen. Toen hij na twee dagen weer opdook, vertelde hij zijn ouders dat hij was ontvoerd. De ouders wisten meteen door wie, en waarom: zij wisten meteen dat het de joden waren geweest die hun zoon hadden ontvoerd, want was het niet in de hele stad bekend dat de joden christenkinderen ontvoerden om ze ritueel te slachten en hun bloed in de matzes te verwerken? Zij wisten ook meteen waar hun Henryk gevangen was gehouden: in de kelder van het huis aan de Planty, nummer 7/9, het opvanghuis van de joden van Kielce. Binnen enkele uren na de terugkeer van Henryk wist heel Kielce dat de joden aan de Planty vijftien kinderen vasthielden, christenkinderen, Poolse kinderen, in de kelder. Dat het huis aan de Planty helemaal geen kelder had en dat er vanzelfsprekend ook geen christenkinderen werden aangetroffen, heeft op die vierde juli 1946 geen rol meer gespeeld toen een paar politiemannen een menigte woedende Polen het huis binnenleidde en het groene licht gaf voor het bloedbad waarbij 42 joden werden vermoord en 60 andere zwaar werden gewond.

Later heeft de communistische Poolse regering nog negen vermeende hoofdverantwoordelijken voor de pogrom ter dood veroordeeld en terechtgesteld. En nog even werd het bloedbad in het nieuwe Polen - waar de communisten stevig, maar nog niet onaantastbaar in het zadel zaten - inzet van politieke strijd, want de nog niet geheel uitgeschakelde anti-communistische oppositie en de nieuwe communistische regering gaven elkaar de schuld van het bloedbad, en later, veel later, na 1989, is gebleken dat die nieuwe communistische regering nog even heeft overwogen de pogrom van Kielce als alibi te gebruiken voor een campagne van vergaande repressie. Maar men zag van die plannen af: uiteindelijk werd de oppositie in 1947 niet met grove repressie maar met politieke trucs uitgeschakeld.

De pogrom van Kielce was geen uitzondering in het na-oorlogse Polen. De nazi's hadden drie miljoen Poolse joden vermoord, maar in 1945 en 1946 waren moorden op de weinige joden die de oorlog hadden overleefd, in Polen aan de orde van de dag. In 1945 alleen al werden in het bevrijde Polen meer dan 300 joden vermoord, bij talrijke excessen. In dezelfde week waarin de 42 joden van Kielce werden doodgeslagen, werden in de trein van Lodz naar Wroclaw 22 joden vermoord. Het traditionele Poolse antisemitisme had de oorlog niet alleen overleefd, het was zelfs nog toegenomen.

Dat kwam voor alles door de mythe van het 'joodse communisme', de overtuiging, bij veel Polen, dat het nieuwe communistische systeem dat tegen hun zin door Stalin en zijn Poolse handlangers werd opgelegd, door joden werd gedomineerd: het communisme was het werk van de joden. Was niet - om in Kielce te blijven - de chef van de provinciale partij-afdeling een jood? Was niet de chef van de geheime dienst in de regio Kielce een jood? De kerk, voor èn na de oorlog een van de motoren achter het Poolse antisemitisme, voedde die mening openlijk: het bloedbad van Kielce, zei kardinaal August Hlond, primaat van Polen, was te wijten aan “de joden die leidende posities innemen in de regering en trachten een politieke structuur in te voeren die door de meerderheid van het volk niet wordt gewenst”. Met andere woorden: het bloedbad was de schuld van de joden zelf.

William Klein kan ervan meepraten, van dat felle antisemitisme voor en van het nog fellere antisemitisme na de oorlog, hier, in dit Kielce: William Klein is een kleine, gedrongen man met een vlezig gezicht en een bril, hij draagt een baseballpet op het hoofd en hij heeft een camera waarmee hij de plechtigheid van deze zondag filmt, Elie Wiesel en de bisschoppen en de premier en de stedelijke en provinciale functionarissen en de laatste rabbijnen van Polen. William Klein heeft vijf getatoueerde cijfers op zijn arm, 34291, de tatouage van Auschwitz. William Klein heette vroeger Moses Kleinstein, hier werd hij geboren, in Kielce, als zoon van een kleermaker. Voor de oorlog, zegt hij, kreeg ik gemiddeld twee keer per week een pak slaag, op straat en op school, ik werd gedwongen katholiek godsdienstonderwijs te volgen, en ik bleef dicht bij de priester als ze me zochten, maar meestal keek die priester gewoon de andere kant uit als ze me weer te pakken namen. De kerk spuwde haat tegen de joden, zegt William Klein.

Tot 1935 waren de joden van Kielce min of meer veilig voor het joodse antisemitisme, omdat de sterke man van Polen, maarschalk Pilsudski, hen beschermde: het waren in het tsaristische Rusland joden uit Kielce geweest die hem verborgen hadden gehouden voor de politie. Maar na zijn dood in 1935 werden de joden niet langer beschermd. In deze stad, zegt William Klein, werkten talloze joodse artsen, maar niet één van hen had hier kunnen studeren, ze hadden in Wenen gestudeerd, want joden mochten hier niet studeren. In 1939, toen de Duitsers kwamen, stonden de Polen te juichen toen de SS de joden te pakken nam en hen dwong allerlei vernederende dingen te doen, en waren het Polen die de joden met scharen en messen te lijf gingen, zegt William Klein.

William Klein, indertijd Moses Kleinstein, werd in 1942 betrapt toen hij brood smokkelde naar het getto van Kielce waar die 20.400 joden waren opgesloten. Hij kwam in Auschwitz terecht, hij groef er massagraven voor de joden toen die nog werden begraven en niet gecremeerd. Ik heb Birkenau opgebouwd, zegt hij, toen ik kwam stonden daar alleen nog maar een paar barakken. Ik heb het overleefd, zegt hij, omdat ik sterk was en geluk had. Hij ontsnapte uit Auschwitz op 21 januari 1945, hij keerde naar Kielce terug, als een van de 200 joden uit de stad die terugkwamen. Hier kwam ik terecht, zegt William Klein, en hij wijst op het huis aan de overkant, Planty 7/9. Maar al na drie maanden hield hij het niet langer uit. Joden waren hier niet langer welkom, zegt hij, en hij vertrok. Naar Oostenrijk eerst, en in 1950 naar Amerika, naar Californië, waar Moses Kleinstein voor altijd William Klein werd. Pas vier jaar geleden is hij voor het eerst teruggekomen, om zijn in Amerika geboren vrouw Auschwitz te laten zien, en Kielce. Kielce, zegt William Klein, alias Moses Kleinstein, is een zwarte plek voor mij. Ik ben voor deze herdenking overgekomen. Die herdenking is belangrijk. Maar wat voel ik? Ik voel een leegte van binnen, zegt hij, een grote leegte.

Er zijn deze zondagmiddag door die belangrijke mensen op het podium naast het pand Planty 7/9 nog veel kransen gelegd en kaarsen ontstoken en toespraken gehouden, door de burgemeester, die repte van “het bouwen van bruggen van tolerantie, over de graven heen”, en door de premier, die het had over het eeuwenlange samenleven van Polen en joden en die, geheel in strijd met de werkelijkheid, stelde dat de nazi's het antisemitisme in de ziel van de Polen hebben geplant, en door de secretaris van het Poolse episcopaat, Tadeusz Pieronek, bisschop, die geen milligram van de verantwoordelijkheid van de Poolse kerk voor dat Poolse antisemitisme op zich nam, maar die het bloedbad van 1946 plaatste in het kader van 'manipulatie' en van 'traditionele vooroordelen' en van 'ongecontroleerde emoties', en door joodse vertegenwoordigers die het 'nooit meer!' nog eens herhaalden, in het Pools, in het Engels, in het jiddisch. En geen van die sprekers op deze zondagmiddag in Kielce stond stil bij het feit dat, ook al zijn er bijna geen joden meer in Polen, het Poolse antisemitisme nog altijd bestaat, zoals af en toe blijkt, uit de ruzie bijvoorbeeld van enkele jaren geleden over het nonnenklooster van Auschwitz, toen de huidige Poolse primaat, kardinaal Glemp, het bestond de joden nog eens te verwijten dat zij “de alcohol en het communisme naar Polen hebben gebracht”, of uit de ruzie over de supermarkt bij Auschwitz die nog steeds niet is uitgevochten, of uit de ophef rond de Auschwitz-herdenking van vorig jaar. Nog maar enkele weken geleden verweet de jonge populistische leider van Solidariteit in Ursus, Zbigniew Wrzodak, geflankeerd door diezelfde kardinaal Glemp en door oud-premier Jan Olszewski, niet nader genoemde maar makkelijk als joodse prominenten te identificeren critici dat in het nieuwe, postsocialistische Polen “op een niet-Pools programma carrière maken” - een in de Poolse context hoogst omineuze, antisemitische uitspraak, waartegen noch Glemp, noch Olszewski, noch iemand anders heeft geprotesteerd.

Voor William Klein, die als Moses Kleinstein opgroeide in Kielce, de man die in Auschwitz voor altijd het nummer 34291 op de arm kreeg, hoeft het niet meer. Hij heeft ze gefilmd, de sprekers, de kransen, de kaarsen, de militaire kapel die het Poolse volkslied heeft gespeeld en het huis aan de overkant, Planty 7/9, waar hij zelf nog drie maanden heeft gewoond toen hij terugkwam uit de hel, en bij het filmen heeft hij zachtjes het commentaar in zijn camera gesproken, en soms heeft William Klein zijn Californische baseballpet diep over de ogen getrokken om te verbergen dat hij huilde. Nu is hij klaar, met Kielce en met Polen. “Dit zal wel mijn laatste bezoek aan Polen zijn”, zegt hij. “I am closing the book.”

    • Peter Michielsen