Het Groene Hart is meer waard dan Bomhoffs grondprijs

De studie 'Het Groene hart..., dat klopt niet!', van het instituut Nyfer, onder leiding van E.J. Bomhoff, bevat een eigenzinnige visie op de grondpolitiek. Niet de marktwaarde, maar de (meestal agrarische) gebruikswaarde moet uitgangspunt worden van de Onteigeningswet en de Wet voorkeursrecht gemeenten.

Deze nieuwe wet gaat volgens Bomhoff lang niet ver genoeg. Ook in zijn columns op deze pagina draagt hij deze mening uit. Hij vindt hierbij de Socialistische Partij aan zijn zijde, maar geen politieke meerderheid.

Gemeenten hebben behoefte om de grondspeculatie met toekomstige woningbouwlocaties tegen te gaan. Dat instrument is er nu, dankzij de vorige week ook in de Eerste Kamer aangenomen nieuwe wet. Gemeenten krijgen de mogelijkheid om bouwgrond als eerste te kopen, tegen de marktwaarde. Een agrariër die zijn cultuurgrond moet afstaan voor woningbouw, verdient daar aan. Hij kan de grond echter niet meer aan ontwikkelaars, bouwers of speculanten verkopen die (misschien) meer bieden.

Bomhoff beperkt zich tot de vraag hoe de overheid zo voordelig mogelijk kan inspelen op de balans van kosten en baten van ruimtelijke investeringen. Zijn studie heeft te weinig aandacht voor het feit dat de keuze van woningbouwlocaties in sterke mate wordt bepaald door beschikbaarheid van infrastructuur, aanwezigheid en bundeling van voorzieningen en behoud van open ruimten. Bomhoff c.s. vragen zich af of de overheid de verstedelijking zo moet sturen als zij nu doet. Het aanwijzen van woningbouwlocaties en het bewust creëren van schaarste zou de grondprijs opdrijven en dat is onacceptabel.

Het voornemen om een agrarische locatie te gaan verstedelijken heeft inderdaad een grondprijsverhogend effect. Er hangt een prijskaartje aan het ruimtelijk beleid. Maar het niet zorgvuldig lokaliseren van woningbouwprojecten levert óók maatschappelijke kosten op, zoals slechte bereikbaarheid, toename automobiliteit, onderbenutting van stedelijke voorzieningen en vermindering van het aantal groene stedelijke uitloopgebieden.

Bomhoffs afwijzing van de huidige grondpolitiek leidt tot het advies om “lelijke stukken” van het Groene Hart te bebouwen. Dat is onlogisch.

Ten eerste: de suggestie dat wij dan goedkoper uit zijn, gaat alleen op als de grondpolitieke voorstellen van Bomhoff zijn gerealiseerd. Ten tweede: wat mooi en lelijk is, is subjectief en tijdgebonden. De door Bomhoff 'lelijk' genoemde Hazerswoudsche Droogmakerij is een typisch Nederlands open landschap met een cultuurhistorische waarde. Openheid heeft in een sterk verstedelijkt gebied als de Randstad alleen al een waarde. Ten derde: er zijn plaatsen in het Groene Hart die nu minder recreatieve- of natuurwaarden hebben, maar waarvan is geconstateerd dat ze een 'groene' impuls nodig hebben.

De noodzaak van zo'n impuls hangt samen met het vierde en belangrijkste argument tegen Bomhoffs kruistocht tegen het Groene Hart. Belangrijk doel van het open houden van het (gehele!) Groene Hart is het bieden van weerstand tegen ongebreidelde, suburbane verstedelijking.

Internationaal scoort de Randstad hoog met zijn vestigingsklimaat door de combinatie van hoog-stedelijke activiteiten met grote groene zones en uitloopgebieden. Wil de Randstad die positie houden, dan moet dit beleid worden voortgezet en plaatselijk versterkt. Dat is zowel sociaal als economisch belangrijk.

Een suburbane verstedelijking tast zowel de steden als het platteland aan. Daarom is er voor het Groene Hart behalve een stimuleringsbeleid ook een beschermingsbeleid, oftewel een restrictief bouwbeleid. Bomhoff slaat de plank mis als hij stelt dat het beleid om het Groene Hart als open gebied te behouden en de 'groene' kwaliteit ervan te versterken, alléén voortkomt uit 'groene' motieven. Hij stelt dat het Groene Hart een aantal goede woningbouwlocaties bevat. Maar dit is niet relevant zolang we dit gebied nodig hebben, en zolang er buiten het Groene Hart, ook in de Randstad, voldoende goede bouwlocaties zijn.

Bomhoff meent ook dat het Groene Hart “alleen op papier bestaat”. Dit wordt echter gelogenstraft door opinie-onderzoeken en door de brede steun om het Groene Hart open te houden. Niet alleen van Groene-Hartgemeenten, maar ook van Amsterdam, Den Haag en Rotterdam, van uiteenlopende maatschappelijke organisaties zoals ANWB, Wereldnatuurfonds, landbouwbedrijfsleven, projectontwikkelaars, alle grote en de meeste kleinere politieke partijen.

De maatschappelijke discussie over het Groene Hart gaat de komende jaren over de uitvoering van het beleid. Om het daadwerkelijk realiseren van beter bereikbare groengebieden voor zes miljoen stedelingen, het behouden van leefbaarheid voor ruim 600.000 Groene Hart-bewoners en het tegengaan van suburbanisatie-tendensen. De neveneffecten van dit laatste, zoals grondprijsstijging, beperken we binnen de beschikbare wettelijke kaders zo goed mogelijk. Een fundamentele discussie over het grondbeleid in de volgende eeuw kan vanaf volgend jaar worden gevoerd in het kader van de 'Nota Nederland 2030', een ruimtelijke toekomstverkenning van mijn ministerie.

    • Ruimtelijke Ordening
    • Margaretha de Boer