Directrice niet onder de indruk van kritiek

Volgens een onderzoeksrapport van het organisatie-adviesbureau Rijnconsult is er veel mis met het Arnhems Gemeentemuseum. De bedrijfsvoering wordt amateurisme verweten, het beleid moet verbeterd. Gesprek met directrice Liesbeth Brandt Corstius.

ARNHEM, 8 JULI. Het Gemeentemuseum in Arnhem is vermoeid, de bedrijfsvoering getuigt van oprecht amateurisme, het beleid moet met het oog op de financiële problemen, vooral veroorzaakt door eerdere bezuinigingen, in de toekomst worden verbeterd en daartoe dient een zakelijk medewerker te worden benoemd terzijde van de huidige directrice Liesbeth Brandt Corstius.

Dat staat in een rapport van het organisatie-adviesbureau Rijnconsult, na een onderzoek in opdracht van de gemeente Arnhem. En Liesbeth Brandt Corstius is er bepaald niet door uit het veld geslagen. “We zijn vermoeid? Ja, dat zou wel eens kunnen, want we hebben net de opening achter de rug van een tweede museum, het Historische Museum van Arnhem, Het Burgerweeshuis. Daar kan een mens wel eens even moe van zijn.”

Dat er een zakelijk medewerker zal worden benoemd voor fondswerving, public relations en financiële onderhandelingen, juicht ze van harte toe. “Daar vraag ik al jaren om en nu is het eindelijk zover. Zelf doe ik veel aan sponsoring. Méér zou ik niet aankunnen naast het maken van tentoonstellingen, aanvragen van fondsen en het weer afrekenen daarvan. Ik haal nu bij het rijk en bij bedrijven twintig procent van de omzet binnen. Dat is mooi voor een eenvoudig type. Nu onze boekhouder in de vut gaat is het prettig dat de organisatie gedeeltelijk geherstructureerd wordt en dat iemand een belangrijk deel van die sponsoring en andere financiële aangelegenheden voor zijn rekening neemt.”

Toch zou men uit de benoeming van een zakelijk functionaris, die van gemeentewege bekend is gemaakt, kunnen concluderen dat de directrice tekort is geschoten: “Ja, vreemd dat men die conclusie trekt. Ik heb daar in het rapport argeloos overheen gelezen. Dat is dom, geloof ik, hè, want zoiets slaat blijkbaar als een boemerang op je terug. In het Noord-Brabants Museum is ook net zo'n medewerker benoemd, maar daar lees ik niets over.” Maar geeft Brandt Corstius toe: “Als het in het kader van sponsoring om networking gaat, iets dat blijkbaar bij de functie van museumdirecteur hoort, dan ben ik niet goed in het lokaal lobbyen op golfbanen of paardenraces. Ik heb namelijk niets met die sporten. Bij tennis ligt dat weer anders, daar houd ik wel van.”

Het Gemeentemuseum Arnhem valt in de categorie middelgrote musea. Het dankt zijn landelijke reputatie aan een uitgesproken voorkeur voor kunst van vrouwelijke kunstenaars, aan een gerespecteerde collectie magische realisten (werken van onder anderen Carel Willink en Raoul Hynckes), en aan het werk van de nieuwe figuratie, schilders als Reinier Lucassen, Hannes Postma en Alfons Freymuth. Trok het museum in 1990 nog 62.000 bezoekers, in 1995 is dat aantal teruggelopen tot ruim 48.000, een dalende curve die zich ook bij andere musea voordoet. Voor het relatief hoge aantal tentoonstellingen van jaarlijks twaalf tot vijftien is een budget van 80.000 gulden beschikbaar. Het aankoopbudget van een ton verhoogt de Mondriaan Stichting jaarlijks met nog een ton.

Hoewel het onderzoeksrapport diverse malen vermeldt dat Liesbeth Brandt Corstius de gemeente te weinig als 'emotionele partner' betrekt bij het wel en wee van het museum, heeft diezelfde gemeente vorige week toegezegd in het museum te willen investeren. “Ik weet nog niet om hoeveel geld het gaat, dat hangt ook af van het bedrag dat we zelf weten binnen te halen.”

Het geld zal waarschijnlijk worden aangewend voor de reconstructie van de 'oude' entree, de aanbouw van een glazen serre in de binnentuin, die er vroeger in andere vorm ook geweest is, voor uitbreiding van de museumwinkel en voor de inrichting van een museumcafé in diezelfde nieuwe serre - een meer 'toegesneden recreatief aanbod van de kunstbeleving', zoals het in het onderzoeksrapport heet. Verder laat Brandt Corstius de afdeling oude kunst, die sinds kort is ondergebracht in het nieuwe Burgerweeshuis, verbouwen tot expositieruimte van sieraden en vormgeving, want dat is een andere specialiteit van het Gemeentemuseum dat overigens niets dan lof krijgt toegezwaaid voor het inhoudeijk artistiek beleid.

Op de vraag of het gerucht juist is dat het in Arnhem gevestigde hoofdkantoor van het chemie-concern AKZO een forse uitbreiding langs de helling aan de Rijnoever voor zijn rekening wil nemen, zegt Brandt Corstius: “Ik heb daarover nooit met de AKZO gesproken en ik ga ook niet naar sponsors toe als ik niet weet wat de gemeente wil. De afspraak is nu dat ik voor september een bedrijfsplan maak en dat de gemeente op basis daarvan besuit hoeveel geld zij in het museum wil stoppen. Pas als ik dat weet, kan ik bij sponsors op geloofwaardigheid rekenen.” Hoewel Brandt Corstius zelf bij het gemeentelijk onderzoek was betrokken, heeft ze zich later ook verbaasd over bepaalde opmerkingen in het rapport. “Ik ben allang opgehouden me af te vragen wààrom iemand wàt gezegd heeft. Eigenlijk vind ik zo'n opmerking over 'oprecht amateurisme van de bedrijfsvoering' wel iets moois hebben. Met onze beperkte staf en net zo beperkt budget doen wij het hier fantastisch.”

Kritiek in het onderzoeksrapport op haar voorkeursbeleid ten aanzien van kunstenaressen wimpelt Brandt Corstius weg: “Ik denk dat die aandacht nog steeds nodig is, en niet omdat het markt-technisch zo handig uitkomt, wat ik als motivatie wel eens hoor, maar simpelweg omdat vrouwelijke kunstenaars er nog steeds bekaaid van afkomen, terwijl ze inhoudelijk vaak interessanter werk maken dan mannen. Intussen hebben we in dit museum trouwens zeer veel kennis vergaard over werk van vrouwelijke kunstenaars.”

Ook over het verwijt als zou de directrice niet genoeg 'politieke warmte' tonen ten aanzien van het Arnhems gemeentebestuur, wil Brandt Corstius kort zijn: “Ik heb de gemeenteraad verteld dat ik graag een goed contact met ze wil hebben en dat ik altijd van harte bereid ben uit te leggen hoe het er in het museum aan toegaat. Als er in de toekomst iets hapert aan het contact dan hoor ik dat graag. Dan kom ik wat vaker langs.”

    • Marianne Vermeijden