Antwerpen is dichterbij dan Den Haag

Commissaris van de koningin van Noord-Brabant, mr F. Houben, en gouverneur Camille Paulus van de Vlaamse buurprovincie Antwerpen zijn “goede vrienden”. Samen trokken ze in 1994 naar het Torentje in Den Haag om bij toenmalig premier Lubbers te pleiten voor een doorbraak in de onderhandelingen over uitdieping van de Westerschelde.

Samen zetten ze afgelopen maart de Tweede Kamercommissie voor binnenlandse zaken onder druk om plannen voor gemeentelijke herindeling in Brabant zo te wijzigen dat de speciale band tussen het Nederlandse Baarle-Nassau en het Belgische Baarle-Hertog niet verloren zou gaan. En samen woonden ze twee weken geleden in Den Bosch het startsein van de Tour de France bij.

Commissaris Houben en gouverneur Paulus zijn 'voortrekkers' in de Vlaams-Zuidnederlandse samenwerking, zo zeggen hun woordvoerders. Noord-Brabant, Zeeland en Limburg sloten enkele jaren geleden al een overeenkomst met de Vlaamse regering en met de provincies West- en Oost-Vlaanderen, Antwerpen en Belgisch Limburg over “grensoverschrijdende samenwerking”. Vorig jaar oktober werd het zogeheten 'Rijn-Schelde-Delta' project gelanceerd, met als inzet “het opstellen van een gezamenlijk ruimtelijk ontwikkelingsperspectief” voor de regio die ruwweg ligt tussen Rotterdam en Antwerpen, en tussen Gent/Zeebrugge en Breda.

Noord-Brabant viert dit jaar zijn 200-jarig bestaan als onafhankelijke provincie, dat het “al tweehonderd jaar niet meer onder het juk van de Hollanders zucht, dat het generaliteitsland af is”. Houben zegt dat hij zich meer thuis voelt op de Grote Markt in Brussel of op de Keyzerlei in Antwerpen dan op het Haagse Plein. Toch mag het enthousiasme waarmee hij samenwerking met Vlaanderen propagandeert “absoluut niet” worden uitgelegd als een zich afzetten tegen de Randstad, zo benadrukt hij in zijn statige werkkamer in het moderne provinciehuis in Den Bosch. Er is natuurlijk de “historische verbondenheid” met het vroegere hertogdom Brabant met Brussel als hoofdstad. Maar belangrijker is het hedendaagse gegeven dat Zuid-Nederland (3,6 miljoen inwoners) en Vlaanderen (5,7 miljoen) een “heel belangrijk gebied” vormen, met “enorme economische mogelijkheden”, zegt Houben. Noord-Brabant is de meest geïndustrialiseerde provincie van Nederland en met de havens van Rotterdam, Antwerpen en Zeebrugge is de regio het belangrijkste aanvoergebied in Europa. “We moeten de handen in een slaan”, concludeert de commissaris.

Niemand in Zuid-Nederland en Vlaanderen bestrijdt de wenselijkheid daarvan. Maar er wordt ook op gewezen dat de grensoverschrijdende samenwerking tot dusver voor een belangrijk deel bestaat uit goedwillende intentieverklaringen, en uit studies naar de haalbaarheid van samenwerking. In de praktijk blijken verschillen in cultuur, in wetgeving en in bestuurlijke bevoegdheden en gewoontes vaak een grotere barriere dan van te voren werd gedacht. Bovendien geldt ook bij samenwerking over de grens dat het hemd nader is dan de rok. “Geen enkele gemeente ziet graag een industrieterrein bij de buren verrijzen”, zegt de Tilburgse hoogleraar dr. F. Boekema, die onderzoek heeft gedaan naar de relatie tussen het bedrijfsleven in Midden-Brabant en de Kempen.

De meeste van tweeënveertig Nederlandse grensgemeenten hebben min of meer reguliere kontakten met hun vierendertig buurgemeenten aan de overkant van de grens, zo blijkt uit ander onderzoek. Maar de diepgang is in het algemeen niet groot, ook al omdat gemeenten gebonden zijn aan nationale regels en wetten. Meestal gaan de afspraken over gezamenlijk bijstand bij branden en rampen, over de aanleg van fietspaden en dergelijke en over culturele uitwisselingen.

Veel hangt af van de persoonlijke inzet van de lokale bestuurders. Als schepen van Turnhout ijverde Marcel Hendrickx voor nauwe samenwerking met Tilburg. In 1992 werden afspraken gemaakt voor gezamenlijke culturele en recreatieve manifestaties ter ondersteuning van “het proces van grensoverschrijdende economische samenwerking”. Maar grote navolging heeft dat project niet gekregen. Tegenwoordig is er geen sprake meer van een jaarlijkse 'Tilburgse week' in Turnhout en een 'Turnhoutse week' in Tilburg.

Toch wil Hendrickx niet spreken van een mislukking. Sinds 1 januari van vorig jaar is hij (gekozen) burgemeester van Turnhout en in die functie is hij druk doende de samenwerking met Tilburg nieuw leven in te blazen. Wel wil hij het accent deze keer nadrukkelijker leggen op de economische samenwerking, zo legt hij uit in het stadhuis aan de Grote Markt. Zijn prioriteit is de aanleg van een goede wegverbinding tussen beide steden. “Ik ben nu eindelijk zover dat ook de betrokken instanties hier in Vlaanderen daarover willen meedenken”, zegt hij.

De aanleg van een nieuwe weg, en bijvoorbeeld de aanleg van de IJzeren Rijn-spoorlijn vindt burgemeester Hendrickx zinvoller dan via allerlei manifestaties de bevolking aan weerszijde van de grens “op een geforceerde manier” met elkaar in kontakt te brengen. “Daar heeft men niet zo'n boodschap aan”, is de ervaring. Ondanks de geografische nabijheid zijn de culturele verschillen soms groot. “Kempenaren stellen zich over het algemeen nogal bescheiden op. Ze uiten zich niet zo gemakkelijk. De Nederlanders, ook die uit Tilburg, gedragen zich veel vlotter, veel directer. Als je dat niet gewend bent, laat je je nogal eens overrompelen. De eerste keer dat je een vergadering meemaakt, denk je: verdikkeme, die mannen weten nogal wat. Die hebben het allemaal heel goed doordacht. Maar als je goed luistert, leer je daar op den duur wel doorheen te prikken”, zegt Hendrickx met een glimlach. Dat Nederlanders en Vlamingen de zaken vaak anders benaderen, is ook de ervaring van Geert Penneman en Hilde Kegels van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij in Antwerpen. Zij zijn belast met de begeleiding van grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten die worden gesubsidieerd door de Europese Commissie. “Nederlanders zijn meer kooplieden, sneller enthousiast, terwijl wij de kat uit de boom kijken. Als in Nederland een besluit is genomen, houdt men zich daar ook aan. Bij ons kan meer worden geregeld tussen pot en pint”, zeggen ze.

De 'Euregio' Scheldemond (Zeeland, Oost- en West-Vlaanderen) kan voor de periode 1994-1999 rekenen op 11 miljoen ecu subsidie uit Brussel, de 'Euregio' Maas-Rijn (de beide Limburgen, Luik en de regio Aken) op bijna 36 miljoen ecu en het Benelux Middengebied (Noord-Brabant, Antwerpen en de beide Limburgen) op 32 miljoen ecu. Daarmee worden de meest uiteenlopende projecten gefinancierd, variërend van de aanleg van natuurparken tot een cursus voor Zeeuwse provincie-ambtenaren en van samenwerking tussen ziekenhuizen bij de behandeling van kankerpatiënten tot samenwering tussen bedrijven op het gebied van onderzoek en ontwikkeling. Penneman en Kegels oordelen genuanceerd over de projecten die zij tot dusver hebben begeleid. “Bij sommige projecten denk je: een slim adviesbureau had nog wat projecten in de la liggen en die heeft men ingediend. Zo gauw de subsidie is vergeven, blijft er van samenwerking niet veel meer over. Bij andere projecten zie je wel echte samenwerking tussen Nederlandse en Vlaamse bedrijven of instellingen ontstaan. Die moeten we blijven steunen”.

    • Wim Brummelman