Zuinig

ERNST ULRICH VON WEIZSÄCKER, AMORY B. LOVINS & L. HUNTER LOVINS: Faktor Vier. Doppelter Wohlstand - halbierter Naturverbrauch. Der neue Bericht an den Club of Rome

352 blz., Droemersche Verlagsanstalt 1996, ƒ 63

De auto van de toekomst rijdt met gemak honderd kilometer op één liter brandstof. De 'hypercar' is erg licht van gewicht, bijvoorbeeld door het gebruik van aluminium in plaats van staal, en haalt zijn hoge efficiency onder meer door met behulp van een vliegwiel te remmen. De in het vliegwiel opgeslagen remenergie, die normaal gesproken als warmte verloren gaat, kan vervolgens de auto op gang helpen. De onderkant van de auto is net zo glad als de bovenkant, waardoor het verlies door luchtweerstand aanmerkelijk omlaag te brengen is. Ook een klein frontoppervlak doet in dit verband veel goeds.

Deze superzuinige auto, die binnen de Amerikaanse auto-industrie in ontwikkeling is, is één van de vijftig voorbeelden van een zuinig gebruik van energie en grondstoffen uit het boek Faktor Vier. De Amerikaanse energiebesparingsdeskundigen Amory en Hunter Lovins van het Rocky Mountain Institute schreven dit boek samen met prof. Ernst Ulrich von Weizsäcker, directeur van het Wuppertal Instituut voor Klimaat, Milieu en Energie om aan te tonen dat het mogelijk is aanmerkelijk efficiënter te leven zonder dat dit ten koste hoeft te gaan van het comfort. Andere voorbeelden zijn onder meer het toepassen van doorzichtig (translucent) isolatiemateriaal in de woningbouw, waarbij warmte slechts in één richting kan stromen, spaarlampen, druppelirrigatie, hout als bouwmateriaal en zuinige computers. Op transportgebied komen teleconferenties, elektronische post, de deelauto en het openbaar vervoerssysteem in de Braziliaanse miljoenenstad Curitiba aan bod. Het zijn allemaal initiatieven die ook nu al, soms op beperkte schaal, hun toepassing vinden. Aantrekkelijke bijkomstigheid is dat de maatregelen in het algemeen geld opleveren. Dat er desondanks betrekkelijk weinig animo bestaat om tot grootschalige invoer van efficiëntere maatregelen over te gaan, wijten de auteurs vooral aan de lage rentabiliteit, die dat oplevert, iets wat een gevolg zou zijn van de kunstmatig laag gehouden energieprijzen. Een alarmerende situatie, vinden zij, want om het klimaat stabiel te houden moet binnen vijftig jaar het gebruik van energie en grondstoffen met een factor vier omlaag, zeker nu de snel groeiende ontwikkelingslanden hun aandeel in de welvaart gaan opeisen. Vandaar ook één van hun aanbevelingen om tot een 'ecokapitalistisch stelsel' over te gaan, waarbij prijzen de 'ecologische waarheid' vertellen.

De nadruk, die het boek legt op wat technisch mogelijk is, heeft één nadeel en dat is dat de lezer snel zal denken dat de techniek wel een oplossing zal bieden voor de mondiale milieuproblematiek, zonder dat het consumptiepatroon zou moeten veranderen. In de zucht naar mobiliteit hoeft de automobilist zich immers met een superzuinige auto geen enkele beperking op te leggen. Toch zal er ook een gedragswijziging moeten plaatsvinden, erkennen de schrijvers in het slothoofdstuk, want 'de onverzadigbaarheid is sterker dan de efficiencyrevolutie'. Maar de aandacht die zij vervolgens aan het op het materiële welzijn gerichte gedrag besteden is summier. Zij menen optimistisch dat dit gedrag conjunctuur bepaald is, en geen door de genen gedicteerde karaktereigenschap van de mens is. Verder bejubelen zij alternatieve economische stelsels, zoals het LETS-systeem, wat neerkomt op het op lokaal niveau onderling uitwisselen van diensten. Maar interessanter zou de vraag zijn hoe het menselijk gedrag valt te veranderen, en hoe het door hen zo wenselijk geachte ecokapitalistische stelsel tot stand zou kunnen komen. Die vraag krijgt helaas onvoldoende antwoord.

    • Rijkert Knoppers