Vochtboekhouding moet zandgronden nat houden

Na de bedrijfs-, de mest- mineralenboekhouding moeten de boeren op de zandgronden straks ook een vochtboekhouding bijhouden. Om de verdroging van de grond tegen te gaan moet zo zuinig mogelijk gebruik worden gemaakt van water.

BERNHEZE, 6 JULI. Vooral in de zandgrondgebieden is de verdroging zeer ernstig. Dat heeft niet alleen nadelige gevolgen voor de natuur maar ook voor de landbouw.

Om de verdroging te stoppen treffen provincies en waterschappen allerlei maatregelen, zoals in Noord-Brabant. Daar wordt per jaar bijna 400 miljoen kubieke meter grondwater gebruikt door de drinkwaterbedrijven, de industrie en de landbouw.

In de provincie kwam vijf jaar geleden een wat wordt genoemd integraal waterbeheer tot stand. De waterleidingbedrijven worden verplicht om in plaats van grondwater meer oppervlaktewater te gebruiken. Daarvoor is onder meer het vierde spaarbekken in de Biesbosch aangelegd. De industrie dient het koelwatergebruik te beperken.

Volgens de Brabantse gedeputeerde L. Verheijen daalde daardoor in vier jaar tijd het grondwatergebruik door de industrie van 80 miljoen naar 55 miljoen kubieke meter per jaar. De Brabantse landbouw neemt van de totale onttrekking aan grondwater per jaar 90 miljoen kubieke meter voor zijn rekening, waarvan 80 procent voor beregening. Daarom werd in de afgelopen droge zomers gewerkt met een beregeningsverbod overdag, als de verdamping het grootst is, om het gebruik van grondwater te beperken. Maar door de extreme droogte tijdens het afgelopen voorjaar werd daarvan weer ontheffing verleend. Dit tot tevredenheid van onder meer melkveehouder A. School in het dorp Heesch (gemeente Bernheze).

“Ik meen dat voor een goed graslandgebruik en een goede benutting van de mineralen in de mest beregening op de droge zandgronden nodig is.” Dat zei hij deze week tijdens een bijeenkomst op zijn bedrijf toen het project “Beregenen op maat in de rundveehouderij” nader werd toegelicht. Daaraan doen 23 Brabantse melkveehouders mee op vrijwillige basis. De bedoeling is om, zoals voorzitter A. Latijnhouwers van de Noordbrabantse christelijke boerenbond (NCB) het uitdrukte, “een zuinig maar optimaal omgaan met water. Niemand beregent voor zijn lol”.

Beregenen tast niet alleen de grond- en oppervlaktewatervoorraden aan, maar het kost de boer ook geld: naar schatting 700 gulden per jaar per hectare grasland. Het experiment heeft een looptijd van drie jaar. Als het slaagt zullen de 9.000 Brabantse boeren die nu een vergunning hebben om hun land te beregenen eraan mee gaan doen. Daarmee hoopt de NCB dat het algemene beregeningsverbod komt te vervallen. Latijnhouwers waarschuwde er voor dat met heffingen op watergebruik het draagvlak onder de boeren om vrijwillig mee te doen kan worden verspeeld.

Bij het experiment wordt gebruik gemaakt van een door het Centrum Landbouw en Milieu ontwikkelde beregeningsplanner. Die is gekoppeld aan een vochtboekhouding. Aan de hand van neerslag, verdamping, capillaire opstijging en percolatie wordt dagelijks het vochtgehalte van de wortelzone, dat wil zeggen de laag aarde waaruit het gewas zijn vocht haalt, berekend. Hierbij wordt rekening gehouden met het bodemtype en de grondwaterstand. Wanneer het vochtgehalte te laag is, kan tot beregening worden overgegaan in de juiste hoeveelheid, die in ieder geval zo groot moet zijn als het gewas op dat moment nodig heeft.

De watergift kan worden geregeld met behulp van tellers op de beregeningsinstallaties. Overigens is in Gelderland, waar ook veel zandgrond ligt, het gebruik van de beregeningsplanner al opgenomen in de verordening waterhuishouding.

“Beregenen op maat” is onderdeel van een aantal maatregelen in Noord-Brabant om de beschikbaarheid van zowel grond- als oppervlaktewater te vergroten of in ieder geval de groei van het gebruik ervan te stoppen. Daarvoor werd deze week tijdens de start van het project “Beregenen op maat” ook de intentieverklaring “Waterconservering op peil” getekend door de waterschappen, het landbouwbedrijfsleven en de provincie.

In de intentieverklaring zijn afspraken vastgelegd die zijn gericht op het langer vasthouden van water in de grond en op een verhoging van het peil van het oppervlaktewater. Gedeputeerde Verheijen: “Om conservering te bereiken zal er een hydrologische herinrichting nodig zijn van het buitengebied. Daarmee werd bij de vroegere ruilverkavelingen geen rekening gehouden. Daardoor loopt het water nu gewoon weg.”

De Brabantse Milieu Federatie BMF leverde deze week kritiek op het beleid van de waterschappen. Die zouden volgens de BMF “grondig tekortschieten” in het voorkomen van ontwatering. In de zogenoemde “keuren” (verordeningen) zouden de waterschappen geen beperkende maatregelen hebben opgenomen. Watergraaf A. Segers van het waterschap De Dommel begrijpt de kritiek niet omdat er volgens hem met de BMF overleg gaande is over de aanscherping van de verordeningen.

    • Max Paumen