Non sputare!

Je eerste Italiaans leerde je in de trein. 'Non sputare nella carozza!', zei je. 'E pericoloso sporgersi!', werd er geriposteerd. 'Ne pas se pencher au dehors', bedoel je zeker. Enz.

De hele cursus stond op emaille bordjes die op de vensterbanken van de ramen in de trein waren geschroefd. Geen mens had blijkbaar de neiging ze eraf te schroeven. Nadat de begerigste passagiers de gewoonte hadden gekregen om schroevendraaiers mee te nemen is dat anders geworden. De gedragsaanwijzingen werden voortaan onbereikbaar hoog boven de deuren aangebracht. Ook de teksten veranderden. 'No smoking. No spitting. No radioplaying' lees je in de Newyorkse subway. En de klantvriendelijke Nederlandse Spoorwegen lieten weten: 'Op tussenbalkon liever niet roken.' Over het spugen werd niets meer gezegd. Spugen in het openbaar vervoer werd trouwens spuwen genoemd. 'Niet spuwen' kan ik me nog van het email herinneren. Waarschijnlijk ook alweer in de jaren zestig is het spuwen in het openbaar vervoer in onbruik geraakt.

Historici die zich afvragen hoe dat komt, kan ik misschien een aanwijzing geven. De jaren zestig is de periode waarin de laatste generatie van de pruimtabak afscheid heeft genomen. In de jaren van de grote crisis, de jaren dertig, waren de werklozen te arm om een sigaar of een piraatje te kopen. (Piraatje: goedkoopste sigaret). Hun behoefte aan nicotine werd gestild door de 'kauwstang' of pruim, een stuk tabak in een harde kronkel gedraaid (zo zag het eruit) dat ze in een wangzak stopten. Je moest erop kauwen, dan ontstond het 'tabakssap' waarvan het meeste weer werd 'uitgespuwd'. Ik geef toe dat het niet het smakelijkste onderwerp is, maar het hoort tot de vaderlandse geschiedenis, de economische, de sociale en die van de gezondheidszorg, en dus mogen we het onderwerp niet uit de weg gaan. De werklozen moesten iedere dag behalve zondag gaan stempelen, zich melden in het stempellokaal. Daarmee bewezen ze dat ze niet aan het werk waren en dus aanspraak konden maken op hun uitkering. Aan het trottoir kon je zien dat je een stempellokaal naderde. De kleur van de stenen werd steeds donkerder; bruin geverfd door het tabakssap van de werklozen.

Na de oorlog kwam de welvaart, daarna de democratisering en zo is de pruim als armeluisgenotmiddel en levenstroost in onbruik geraakt. Dat werd door de directies van het openbaar vervoer ontdekt. De bordjes met Verboden te, of Niet spuwen verdwenen uit trams en treinen.

Nu heb ik gemerkt dat het spuwen/spugen op straat weer veld wint. Hoe merk je dat je iets merkt? Toen ik het na zoveel jaren voor het eerst weer bewust zag, dacht ik: Non sputare! De denktrein had zich in beweging gezet, liet zich niet meer stoppen, zelfs al zou ik het hebben gewild. En ik weet bijna zeker dat ik gelijk heb: ze doen het meer en meer. De vraag is: waarom? Kan het bijvoorbeeld een nieuwe fysieke noodzaak hebben: een pil, coke, XTC, crack, de pruimtabak van het fin-de-siècle? Of is het de uitdrukking van een geestelijke gesteldheid, een terloopse blijk van onverschilligheid, een jullie kunnen me gestolen worden en dat werp ik jullie voor de voeten? Dan is het de herleving van een klassieke daad. J'irai cracher sur vos tombes, liet Boris Vian weten. Of is het een combinatie van lichamelijk en geestelijk? Beschouw dit als een voorlopige rapportage. Het zal me benieuwen wanneer de eerste waarschuwingen weer in het openbaar vervoer verschijnen. Zo kom ik vanzelf op het tweede onderwerp.

Zeer geachte lezers

Vorige week heb ik uw hulp ingeroepen. Ik was in het Josef Resselpark in Wenen, las op een bordje van wanneer tot wanneer hij heeft geleefd en dat hij de uitvinder van de scheepsschroef is. Terug in Amsterdam heb ik het opgezocht in zevende en de achtste druk van de Winkler Prins en de editie 1958 van de Britannica. Ik twijfelde niet aan zijn uitvindersschap maar ik wilde er meer over weten. Niets gevonden wat me tevreden stelde. Het stukje moest af, de deadline drong. Ik schreef: Bij zo'n raadsel vertrouw ik op de lezers.

Niet vergeefs. U hebt het opgezocht, hebt zich in de geschiedenis verdiept, in de loopbaan en de geest van Ressel en de aardrijkskunde van Oostenrijk, u hebt het aannemelijk gemaakt dat hij aanspraak maakt op de uitvinding (al is hij niet de enige), u hebt me in fotokopieën, samenvattingen en toelichtingen alles laten weten wat er over de Oostenrijker te leren valt. (En trouwens nog veel meer, zoals de waarde van oude encyclopedieën, alle drukken van de WP, Brockhaus, Schweizer Lexikon, enz. de rol van het chauvinisme bij het vermelden van nationale helden, enz.) Terwijl ik dit aan het schrijven ben, wordt de post gebracht. Opnieuw van lezers die me bijzonderheden over het leven en werken van Ressel hebben geschreven. Op dit ogenblik heb ik 109 brieven over hem ontvangen.

Ik heb ze allemaal gelezen, maar ik hoop dat u het zult begrijpen: het is teveel om iedereen persoonlijk terug te schrijven. Vandaar dat ik u in de krant laat weten hoe ik het waardeer. Een stukjesschrijver of 'columnist' heeft een paar aanwijzingen waaruit hij kan afleiden in hoeverre zijn beroepsmatig bestaan zin heeft. Eén van die aanwijzingen ligt in de post. Soms krijg je bijval, een brief van iemand die het beter weet (ook welkom) en af en toe een blijk van haat. Het hoort erbij. Nooit heb ik op een stukje zoveel post gekregen als op dit, over de uitvinder van de scheepsschroef. Ik waardeer het zeer. Dank!