Liberalen kunnen heel goed moraliseren

Liberalen moeten niet moraliseren, is een veelgehoord geluid in de moraaldiscussie die Frits Bolkestein binnen de VVD heeft aangezwengeld. Volgens G.A. van der List is dat een misverstand. Ook liberalen gaat uit van een besef van het goede.

'Achterban VVD tegen liberaal moraliseren', luidde vorige week een kop op de voorpagina van deze krant. Uit het artikel bleek dat de VVD-partijraad (wat trouwens iets anders is dan de achterban, maar goed) meent dat liberalen zich niet moeten bedienen van morele oordelen. Het begrip moraliseren zou veel te bevoogdend klinken en aanleiding geven tot bemoeizucht, hetgeen haaks lijkt te staan op liberale denkbeelden over de autonomie van het individu. “Als u nog een keer 'moralisme' zegt”, zo had partijvoorzitter Hoekzema volgens een andere krant van het VVD-kader te horen gekregen, “gaat u hier besmeurd met pek en veren de deur uit”.

Voor Frits Bolkestein betekende de antimoralistische stemming op de partijraadsvergadering in Bussum zeker geen steuntje in de rug. De politiek leider van de VVD heeft immers zelf de discussie over normen en waarden aangezwengeld met zijn kritiek op de Nijpeliaanse leus 'gewoon jezelf zijn' alsmede met zijn geruchtmakende verwijzingen naar de christelijke traditie als morele voedingsbodem voor het liberalisme. Ook Klaas Groenveld, directeur van de Teldersstichting en een van de auteurs van de, vanwege haar moralistische toon gehekelde, studie Tussen vrijblijvendheid en paternalisme, zal met gemengde gevoelens terugdenken aan de bijeenkomst, hoewel hij ons vorige week op de Forum-pagina van de Volkskrant wilde doen geloven dat de verschillen van mening grotendeels terug te voeren zijn op terminologische verwarring.

Maar aan het debat in Bussum liggen wel degelijk uiteenlopende visies op de relatie tussen moraal en politiek ten grondslag, visies die echter zelden helder voor het voetlicht worden gebracht. Wat betreft bemoeienis met het gedrag van individuen vallen minstens drie categorieën liberalen te onderscheiden:

- Liberalen die menen dat het individu, althans zolang het zijn medeburgers geen schade berokkent (het zogenaamde harm principle), zijn eigen gang moet kunnen gaan zonder door anderen te worden gestoord.

- Liberalen die menen dat mensen zich behoren te ontplooien, zichzelf behoren te 'verwezenlijken'. Het individuele streven een beter, waardevoller mens te worden zou in deze visie met politieke maatregelen gesteund en gestimuleerd dienen te worden.

- Liberalen die menen dat het centraal stellen van zelfverwezenlijking al gauw uitmondt in paternalisme, maar wel vinden dat met het oog op het algemeen belang een zekere moraliserende opstelling noodzakelijk is. Zo volgt uit het schadebeginsel geen plicht tot ijver en politieke inspanningen, maar desondanks zou het wenselijk zijn mensen aan te sporen met hun talenten te woekeren en zich in te zetten voor de publieke zaak. Als slechts weinigen dergelijk gedrag vertonen, staat het voortbestaan van onze welvarende democratie immers op het spel, aldus deze derde groep van liberalen.

Als het schadebeginsel te beperkt wordt gevonden, doet zich de vraag voor hoe de liberale moraal uitgedragen moet worden. Drie niveaus kunnen worden onderscheiden, namelijk dat van het liberale individu, van de liberale politieke stroming en van de liberale overheid.

- Liberalen kunnen als individuen anderen, bijvoorbeeld hun kinderen, buren en collega's aansporen tot fatsoenlijk gedrag.

- Liberalen kunnen als politieke beweging morele uitspraken doen. Zo doet het Christen Democratische Appèl nadrukkelijk een beroep op burgers zich te gedragen in overeenstemming met de christen-democratische beginselen.

- Liberalen kunnen overheids- optreden bepleiten om liberale waarden uit te dragen. Dit optreden kan bestaan in aansporingen en waarschuwingen (bijvoorbeeld via Postbus 51-spotjes), in marktreguleringen (zoals op de tabaksmarkt gebeurt), belastingen (bijvoorbeeld accijnzen), diverse steunmaatregelen (zoals subsidies voor levensbeschouwelijke organisaties) en ge- en verboden in de vorm van wetten.

Een praktisch voorbeeld kan wellicht verhelderend werken. Met betrekking tot de drugsproblematiek kunnen liberalen zeggen dat iedereen het volste recht heeft verslaafd te raken; vrijheid, blijheid. Daarentegen kunnen liberalen ook betogen dat verslaving niet strookt met hun ideeën over het goede leven en daarom tegengegaan moet worden. Een derde mogelijkheid is individuen het recht te gunnen aan de drugs te gaan, maar toch dit gedrag te ontmoedigen vanwege de negatieve maatschappelijke gevolgen van grootschalig drugsgebruik. Die ontmoediging kan plaatsvinden op drie niveaus. Liberale burgers kunnen hun naasten wijzen op de onaantrekkelijke kanten van drugs, een liberale beweging kan zich in afkeurende zin uitlaten en een liberale overheid kan, tot slot, proberen met een scala van maatregelen het drugsgebruik tegen te gaan.

Het is niet zo dat liberalen die morele waarden willen uitdragen, in eerste instantie denken aan de overheid als instrument. Integendeel zelfs. In de genoemde studie van de Teldersstichting wordt opgemerkt dat de verantwoordelijkheid vooral bij de burgers ligt. Zij moeten gezamenlijk werken aan het creëren en in stand houden van en voor een open, democratische maatschappij zo belangrijke publieke moraal die individuen mede in het gareel houdt. Burgers dienen in te zien dat het ideaal van tolerantie niet mag uitmonden in onverschilligheid, in een 'ze doen maar'-houding.

Op de VVD-partijraad werd de indruk gewekt dat diegenen die niet verder willen gaan dan het schadebeginsel, het echte liberalisme vertegenwoordigen en dat andersdenkende partijgenoten een soort verdwaalde christen-democraten of conservatieven zijn. Deze voorstelling van zaken is onjuist en getuigt ook van weinig historisch besef. Bij heel wat liberale filosofen uit heden en verleden komen we de opvatting tegen dat sommige levenswijzen en doeleinden superieur zijn aan andere. Liberalisme berust op een conceptie van het goede leven, zegt de vooraanstaande hedendaagse liberale denker Brian Barry bijvoorbeeld, “a life of self-mastery, self-expression, active pursuit of knowledge, unhesitating acceptance of moral responsibility”.

De wens bepaalde waarden uit te dragen treffen we ook veelvuldig aan in de Nederlandse liberale traditie en niet alleen in het verre verleden. Zo wees Vonhoff, die doorgaans niet gerekend wordt tot de conservatieve vleugel van de Nederlandse liberalen, in 1978 in een boekje van de Stichting Burgerschapskunde over liberalisme op het belang van verantwoordelijkheidsgevoel dat mensen ertoe inspireert zich krachtig in te zetten voor de samenleving en met een actieve politieke bijdrage de maatschappelijke ontwikkeling in goede banen te leiden. De beginselverklaring van de VVD, vastgesteld door de algemene vergadering in 1980, roept op tot burgerzin en pleit voor een veelvormige samenleving “die bovenal gekenmerkt behoort te zijn door naastenliefde” (sic!).

Moralisme spreekt eveneens geregeld uit standpunten die de VVD op diverse beleidsterreinen inneemt. Zo stemt de partij in met het verbod van hard drugs, het reguleren van tabaksreclame, het uitzenden van Postbus 51-spotjes, het voeren van cultuurbeleid, het bevorderen van de emancipatie van de vrouw, het oproepen tot het stemmen bij verkiezingen en tal van andere activiteiten die in strijd zijn met een moreel-neutrale opstelling.

J.L. Heldring stelde op 28 juni op deze pagina dat met de rebuffade van de partijraad de politieke discussie in de VVD over de moraal voorlopig gesloten lijkt. Het is te hopen dat dit niet het geval is. Het inzicht dat bepaalde deugden essentieel zijn voor het voortbestaan van een beschaafde maatschappij, bevat namelijk veel waarde en past ook goed binnen de liberale traditie. Beter in ieder geval dan het met pek en veren bedreigen van andersdenkenden.

    • Dr. G.A. van der List