Kroonprins

MICHAEL DE-LA-NOY: The King Who Never Was, the story of Frederick

240 blz., geïll., Peter Owen 1996, ƒ 66,15

Sinds 1714 toen de Stuarts op de troon vervangen werden door de Hanovers heeft het Engelse koningshuis herhaaldelijk te stellen gehad met generatiekloven vooral in de meest kritische relatie, tussen vorst en troonopvolger. De eerste drie Georges stonden op gespannen voet met hun zoons; Victoria wilde niet dat Edward zich met de zaken bemoeide en stierf pas toen die jongen zestig was; de zoons van George V waren allemaal te beklagen, de Edward die in 1938 abdiceerde het hardst.

Het geval van George II (1727-1760) en Frederick is in de geschiedenis op de achtergrond geraakt omdat deze zoon het niet tot koning gebracht heeft; hij stierf in 1751, vier-en-veertig jaar oud. In de publiciteit en borrelpraat van hun tijd was het een gewaardeerd onderwerp. Mijn zoon is een monster, de slechtste mens van de wereld, en het zou mij verheugen als hij doodging: zulke zinnen zei koningin Caroline, die bekend stond als een aantrekkelijke intelligente vrouw; en aan het eind van 1751 schreef George dat hij een veelbewogen jaar had gehad: “I have lost my eldest son, but I was glad of it.”

Frederick had geen vlieg kwaad gedaan en hij bezat verscheidene innemende eigenschappen; hij gaf bijvoorbeeld veel meer aandacht aan zijn kinderen dan zijn vader aan hem. Als hij niet dol was op zijn ouders kan dat ten dele verklaard worden doordat hij hen van zijn vijfde tot zijn negentiende niet gesproken had terwijl hij opgroeide op Herrenhausen bij Hannover. Zij waren naar Londen vertrokken met grootvader George I en kwamen hem nooit opzoeken.

Misschien besefte Caroline dat zij tekortgeschoten was en praatte zij daarom bitter over hem. Van zijn vader zou zo'n begrip teveel gevergd zijn, die nam nooit aan dat hij iets verkeerds gedaan had. Toen Frederick op zijn een-en-twintigste eindelijk naar Londen mocht komen moest hij een rijtuigje huren van de haven naar het paleis waar hij door een zijdeur werd binnengelaten. Het parlement kende hem ¢8 100.000 per jaar toe die hij via de koning zou ontvangen, maar George hield er driekwart van achter. Vader en zoon ontmoetten elkaar maar af en toe, en praatten tenslotte niet meer met elkaar ook al bevonden zij zich in dezelfde ruimte. In geen enkele vorm mocht Frederick zich met het beleid bemoeien, ook niet als George een paar maanden doorbracht in zijn moederland Hannover waar hij zich prettiger voelde. Toen de Oostenrijkse Successieoorlog uitgebroken was ging de koning een heroïsche rol spelen in de slag bij Dettingen, vergezeld van zijn tweede zoon William; Frederick moest thuisblijven.

De intriges en grieven van deze achttiende-eeuwse vorsten en aanzienlijken worden vaak onbevredigend uitgelegd door hun tijdgenoten; die waren zelf betrokken in de partijstrijd en vonden het van meer belang dat hun mémoires en brieven in stijl geschreven waren dan dat zijn de verschillende gezichtspunten recht deden. Lord Hervey bijvoorbeeld, die Frederick en zijn ouders van nabij kende, heeft vinnige portretten van hen nagelaten waar maar de helft van geloofd mag worden.

Michael De-la-Noy, die een aantal biografieën op zijn naam heeft waaronder een van Elgar en een van de oude koningin Elizabeth, de koningin-moeder, heeft ook niet alles opgehelderd. Er hadden meer gegevens aan het licht gebracht moeten worden, en die hadden langer overdacht moeten worden om hun geheimen prijs te geven van wat dit verdeelde gezin bezielde. Wat de biografie nu te vertellen heeft is tamelijk onderhoudend voor lezers die een malicieus plezier ondervinden aan andermans hatelijke familieverhoudingen. Waarom alles ophelderen, zullen die ook zeggen: veel antipathieën zijn onverklaarbaar, en in koningshuizen spitsen zij zich toe omdat de mensen moeilijk van elkaar weg kunnen komen.

Bovendien voelden de eerste Hanovers zich vreemd in Engeland, waar zij uitgelachen en bekritiseerd werden door boze tongen en pennen die zij niet kenden uit hun brave keurvorstendom. Als zij zich bedreigd begonnen te voelen in hun autoriteit en hun ongeduldige troonopvolgers klein probeerden te houden trokken die de politieke oppositie aan en dan drukte de bedreiging nog zwaarder. Souplesse en tact hadden de verhoudingen moeten verzachten, maar zulke kunsten verstonden de Hanovers niet; zij waren provinciaalse paternalisten.

Dat het koningshuis in belangrijke mate de moderne Engelse geschiedenis meebepaald heeft zou teveel gezegd zijn, maar het is tot op de huidige dag bij gelegenheid prominent aanwezig geweest. Een Engelandkunde zonder begrip voor de traditie van spanningen in de familie zou onvolledig zijn. Daar doet De-la-Noy iets aan.