Koning is laatste hoop in sloppen van Valdemingómez

De bewoners van de krottenwijk Valdemingómez, vlakbij Madrid, hebben het gerucht opgevangen dat de Spaanse koning Juan Carlos binnenkort op bezoek komt. Mischien kan hij iets veranderen aan de erbarmelijke omstandigheden waarin ze leven?

MADRID, 6 JULI. Koning Juan Carlos komt naar Valdemingómez. Manuel Jiménez (39 jaar) vertelt het rond aan wie het maar horen wil. “Als hij ziet hoe wij moeten leven, zal er snel iets veranderen. Dat is zeker.”

De bewoners van de krottenwijk Valdemingómez, vlakbij Madrid, die zich rond Jiménez hebben verzameld luisteren aandachtig. De mannen met hun zwarte broeken en hemden waar een vettig haarmatje over valt, fronsen hun wenkbrauwen. De vrouwen duwen halfnaakte, vervuilde kindertjes weg om het beter te horen.

“De koning heeft wel wat anders aan zijn hoofd”, bromt grootmoeder Jiménez vanaf haar dampend fornuis, waar de vliegen juist een aanval hebben ingezet op een berg kippepoten. Het interieur van haar van planken en board bijeengetimmerde hut bestaat uit een versleten bankstel, drie bedden en een plakkerig vloerkleed waarvan de kleur niet meer is te herkennen. De zon schijnt door de gaten in het dak. Er slapen vijf, soms zes mensen. “Mond houden”, gebiedt Manuel. “Dit is een zaak van de pastor, die heeft dat geregeld.”

De sloppenwijk Valdemingómez ligt op nog geen kwartier rijden van het centrum van Madrid. Hier is weinig meer te merken van het snelle, moderne Spanje van de zaktelefoons en geldautomaten. Zestig zigeunerfamilies, naar schatting 250 mensen, leven voor het derde achtereenvolgende jaar in omstandigheden van een ontwikkelingsland. Drie centrale pompen voorzien de nederzetting van water, de leidingen lopen er door vervuilde grond. Elektriciteit wordt illegaal afgetapt uit het dorp.

Toiletten zijn er niet, ratten en ander ongedierte heeft vrij spel. 's Zomers waait de wind het stof door de snikhete hutten, in de regentijd komt het water door de gaten in het dak. En dan is er nog de permanent aanwezige geur van rottende groente met iets chemisch. Het is de beruchte vuilverbrander van Valdemingómez, verklaart evangelisch pastor José Antonio García, die als belangenvertegenwoordiger van de zigeuners van Valdemingómez optreedt. “Mensen worden er ziek van. Enkele weken geleden is een jongen van 23 jaar gestorven die vlak naast de centrale woont.”

In april hief het gemeentebestuur van Madrid, dat in handen is van de Conservatieve regeringspartij Partido Popular, alle bestaande milieurestricties op voor het afval dat in Valdemingómez wordt verbrand. Protesten werden door de verantwoordelijke wethouders terzijde geschoven: met de vuilverbrander was niets mis. De officier van justitie dacht er echter anders over en publiceerde deze week een vernietigende aanklacht. Zware metalen, radio-actieve straling, dioxinen en andere kankerverwekkende stoffen komen in veel te hoge concentraties vrij. “Een ernstig gevaar voor de volksgezondheid en het milieu”, aldus de aanklacht.

Niemand in de krotten Valdemingómez lijkt zonder een huidaandoening rond te lopen. Een naakt vier-jarig meisje met een rode plastic bloem in haar haar wordt door haar twintigjarige moeder als een pop naar de bezoeker getrokken. Op haar benen en armen rode vlekken en kleine wondjes. 's Nachts komen groene muggen de hutten binnen gevlogen, zegt pastor García. Een steekbult verandert al snel in een infectie, die vreemde putten in de huid achterlaat. Zijn eigen armen zitten er onder.

Volgens de officiële cijfers wonen rond de hoofdstad ongeveer vijftienduizend mensen, voor het overgrote deel zigeuners, in de zogenaamde 'chabolas', de sloppenwoningen. Niet uitgesloten moet worden dat het aantal hoger ligt. Wie geluk heeft woont in de nieuwe, geprefabriceerde keetwoning van de gemeente. Anderen moeten het doen met hutten van bijeengesprokkeld sloopmateriaal.

“Binnen het gemeentebestuur bestaat weinig belangstelling voor de sloppen. Van de zigeuners stemt toch niemand”, zegt Felix López Rey. Als communistisch gemeenteraadslid maakt hij deel uit van de linkse oppositiecombinatie Izquierda Unida. “In 1986 richtte de gemeente het zogenaamde Consortium op, een organisatie die binnen vier jaar een einde moest maken aan de sloppen. Tien jaar later is het probleem er nog steeds”, concludeert López Rey.

Normaalgesproken laten de politici en hoogwaardigheidsbekleders zich zelden zien in wat wel als de schaamte van Madrid wordt gezien. Maar in december 1994 gebeurde er iets opmerkelijks: koning Juan Carlos en koningin Sofía bezochten enkele sloppen aan de zuidelijke rand van Madrid. De aanwezige zigeuner-patriarchen maakten van de gelegenheid gebruik eens uitgebreid hun hart te luchten over het gemeentebeleid. Anderhalf jaar later ligt het grootste deel van de sloppen er onveranderd bij, maar een wijk werd na het bezoek ijllings voorzien van simpele nieuwbouw. De mythe van het koningsbezoek was geboren. “Het gerucht gaat dat hij onlangs incognito langs is gereden om te controleren of er ook iets is gebeurd na zijn rondtocht”, zegt López Rey, die na jaren van aanhoudende pogingen het bezoek van de vorst aan de sloppenwijken mocht organiseren. Als bewoners van een voormalige sloppenwijk kent hij als geen ander de problemen van de Madrileense voorsteden.

Zelf kwam López Rey (48 jaar), net als velen van zijn generatie, als achtjarig jongetje met zijn familie op een ezelwagen uit Toledo. Zijn vader, een arme landwerker, zocht de toekomst in de stad. Daar kwamen ze terecht in Orcasitas, een van sloppenwijken, waar de varkens vrij rondliepen en de zandstraten in de regenmaanden veranderden in een modderpoel. Nog aan het begin van de jaren zeventig leefden zeker honderdduizend mensen op deze manier langs de rand van Madrid.

De oorspronkelijke sloppenwijken hebben inmiddels plaatsgemaakt voor woningprojecten van bouwcoöperaties. Dat is niet in de laatste plaats te danken aan de vroegere immigranten zelf. López Rey was aktief binnen een van de zogenaamde 'asociaciónes de vecinos', buurtcomités om de woonomstandigheden te verbeteren. Organisaties die in de nadagen van de Franco-dictatuur fungeerde als dekmantel voor de linkse oppositie en waar de strijd werd aangebonden met grondspeculanten en onwillige ambtenaren. Met succes: Orcasitas is nu een arbeidersbuurt met betaalbare flatwoningen, een centrale stadsverwarming en een riant buurthuis. “Wij zijn door strijd uit de misère geklommen”, zegt López Rey, terwijl hij trots zijn buurt laat zien.

Naarmate de immigranten zichzelf organiseerden en vaste huizen lieten bouwen werd hun plaats in de sloppen overgenomen door zigeuners en later ook door immigranten uit Noordelijk Afrika. De nieuwe sloppenbewoners blijken zich aanmerkelijk minder goed te organiseren. “Zigeuners in de sloppen zijn nu eenmaal anders”, zegt López Rey. “Ze leven in marginale omstadigheden. De water- en lichtrekening worden niet betaald, de kinderen worden niet naar school gestuurd. Het is moeilijk met ze te werken.” En dan zijn er nog de drugs, volgens López Rey het grootste probleem. Veel zigeuners hebben de ambulante handel in groente, planten en kleding verruild voor de lucratievere heroïne.

“De sloppen vormen de laatste schakel van de drugslijn”, zegt López Rey, terwijl we een van de zuidelijke sloppenwijk Torregrosa bezoeken. Hier, vlak langs de buitenringweg rond Madrid, wachten grote groepen uitgemergelde junks tot hun dealer zich aandient. De spanningen met de aanpalende arbeiderswijken lopen op, regelmatig worden er protestmarsen gehouden. “Drugs nee, ontruiming ja” zegt een groot spandoek in de wijk Caño Roto dat direct tegenover de nederzetting met houten prefab-huizen is opgehangen. Tussen het sloopijzer van ijskasten en bedspiralen doet Rafael zijn beklag. De prefab-huizen zijn best comfortabel. “Maar de buurt hier beschuldigt ons van alles en nog wat”, zegt hij.

Zware kettingen rinkelen rond zijn nek. “De arbeiders uit de randbuurten krijgen het verwijt dat ze racistisch zijn”, zucht López Rey. “Maar de gemeente zet de sloppenwijken op naast mensen die zelf al genoeg problemen hebben. En voor het herhuisvestingsprogramma geldt hetzelfde. In de wijk waar premier Aznar woont vind je geen zigeuners.”

De bewoners van Valdemingómez kan het weinig schelen waar ze naar verplaatst worden, als het maar uit de buurt is van de vuilverbrander. Eind vorige maand stuurde een groep van bekende artiesten, waaronder filmacteur Antonio Banderas, regisseur Pedro Almodóvar en flamenco-gitarist Paco de Lucía, een petitie aan de koning waarin aandacht werd gevraagd voor Madrids meest vervuilde sloppenwijk. “De koning moet met zijn eigen ogen zien in wat voor getto de gemeente sommigen van zijn bewoners jarenlang in weg durft te stoppen”, zegt pastor García Gonzalez tijdens de avonddienst in zijn kerk. “De Heer heeft het laatste woord, maar als de koning komt, zijn we binnen drie maanden uit de problemen.” Van een koninklijk bezoek aan Valdemingómez is vooralsnog niets bekend. Het koninklijk huis meldt desgevraagd dat de petitie van de kunstenaars is doorgestuurd naar de gemeente.

    • Steven Adolf