KOELE EIGENHEIMER VOL STRIJDLUST

Wielrenners zijn opgewonden standjes of koele rekenaars. Danny Nelissen (25) belichaamt beide uitersten. Een mooie tred en een sterk lichaam hebben hem gesterkt in de overtuiging dat alle tegenslagen te overwinnen zijn. “Als je zo veel pech hebt gehad kun je alleen nog maar geluk krijgen.”

Na elke pittige opmerking volgt een bijna hatelijk lachje. Het donkere gezicht verraadt zijn Limburgse komaf. De bruine ogen kijken scherp om zich heen. Kritische vragen beantwoordt hij met een even kritische opmerking. Slechte mensen heeft hij al genoeg ontmoet. Danny Nelissen is op alles voorbereid, in de koers en ver daarbuiten. Met journalisten moet hij leren leven.

“Ik stoor me mateloos aan alle kritiek. Een commentator die nooit op een fiets heeft gezeten denkt mij te kunnen vertellen wat ik fout heb gedaan. Ze lullen maar raak. Als wij bij Zaltbommel op kop gaan rijden zal dat wel een betekenis hebben. Overal valpartijen achterin, dan kijk je wel link uit. Roept Mart Smeets dat wij daar niks te zoeken hebben. Als iemand dat niet snapt moet hij gauw van de tv worden gehaald. Wielrennen is erg variabel en moeilijk te begrijpen voor mensen die niet fietsen.”

De toon is gezet, de vragensteller is in de verdediging gedrongen. Om de ondervraagde te kalmeren mag hij eerst over zijn vader vertellen, zijn steun en toeverlaat. Ger Nelissen leerde Danny stratenmaken en wielrennen. Hij was een verdienstelijke coureur die zelfs Nederlands kampioen bij de liefhebbers is geworden. Het contact met zijn zoon zal altijd blijven bestaan. In de Tour bellen ze elkaar elke dag.

“Als kind ging ik altijd met m'n vader naar de koers. Daar heb ik veel profijt van gehad. Je hoorde hem nooit langs de kant. Alleen als ik heel dom had gereden, liet hij het wel even weten. Daar heb ik mijn koersinzicht aan overgehouden. Je moet als wielrenner constant van je fouten leren. Wat mij woensdag is overkomen zal niet nog een keer gebeuren. De volgende keer ben ik op de hoogte hoe sterk iemand anders in de sprint is.”

“Ik heb van mijn vader zijn karakter geërfd. Recht voor de raap, nooit bij de pakken neerzitten. Ik heb ook leren relativeren. Als je zoals ik zo veel pech hebt gehad, kun je alleen nog maar geluk krijgen. Je moet het lot niet tarten. Als ik het niet meer zie zitten, stop ik gelijk met wielrennen. Ik ga even makkelijk iets anders doen.”

Ger Nelissen zorgde ervoor dat zijn talentrijke maar gemakzuchtige zoon geen sterallures kreeg. “Ik had mijn opleiding elektrotechniek op de LTS gehaald. Stel je daar trouwens niet te veel van voor. Ik heb alleen geleerd het licht aan en uit te doen. Na school ging ik 's zomers koersen, 's winters lag ik maar een beetje op de bank. Daar kon pa helemaal niet tegen. Ik moest maar meewerken in het familiebedrijf. Hetzelfde gebeurde toen ik eenmaal prof was geworden. Als ik weer eens geen zin had om te trainen, kreeg ik te horen dat hij ook een goede boterham verdiende. Die opmerkingen waren een stimulans.”

“Stratenmaker is geen lullig beroep. Je bent vrij, je kunt wild zijn. Je taalgebruik is heel anders, je kunt er een beetje op los leven. Wij werkten op akkoord, we werden per meter betaald. Hoe meer meters hoe meer geld je kreeg. Wij werden altijd naar de achterbuurten gestuurd, waar een ander geen zin in had. Je moest goed uitkijken of je niet belazerd werd. Als iemand je zand stond te jatten, was dat wel jouw zand.”

Zijn grote mond heeft hij inmiddels niet meer nodig. In de nieuwe Raboploeg heerst een prettige, ontspannen sfeer die zijn uitwerking heeft op de resultaten. Nelissen werd tweede in de etappe naar Lac de Madine en reed de afgelopen week opvallend vaak van voren. De prijs voor de meest strijdlustige renner van het peloton ligt in het verschiet. Na een paar heuvels in de Vogezen en de Jura had hij tot vandaag de bolletjestrui in zijn bezit. De Alpencols zullen hem vermoedelijk te machtig zijn.

“Wij zijn al een hele tijd heel goed bezig. Het is een uitgebalanceerde ploeg, met oud en jong. Veel ervaren coureurs die elders hun sporen hebben verdiend. En we hebben nog een aantal jonge jongens achter de hand. We hebben twee ploegleiders die goed hebben gefietst. Heel belangrijk! Een manager die van wereldklasse is geweest. Raas kijkt van een afstand mee, hij heeft nog genoeg te vertellen.”

Zijn vechtlust heeft hij van zijn vader. “Wielrenners zijn hard, ook de nieuwe generatie. Wij zijn geen doetjes met een zaktelefoon, zoals we wel eens worden afgeschilderd. Wij zijn geen voetballers die een wedstrijdje hebben gespeeld en daarna vier dagen mogen uitrusten. En dan zijn ze toch nog een beetje moe, want ze hebben een verlenging moeten spelen. Toen wij met de wielerjongens naar het EK keken, hebben we tegen elkaar gezegd: waarom organiseren we geen Tour de France voor voetballers? Bij een gelijke stand net zo lang laten doorspelen tot ze erbij neervallen.”

Nelissen noemt zichzelf een sfeergevoelige jongen. Het predikaat Einzelgänger is niet van toepassing, ondanks alle verhalen die er over hem de ronde doen. “Als er iemand begint te zeuren ben ik gauw vertrokken. Maar als de sfeer goed ben ik de gangmaker. Ik bestrijd dat ik een dikke nek zou hebben. Er zijn kopmannen die bijvoorbeeld een pet weggooien en na drie kilometer dezelfde pet door een knecht laten ophalen. Zelfs als ik een heel grote wielrenner was zou ik dat nooit doen. Je zult mij nooit een mecanicien of een soigneur horen uitschelden. Die mensen doen hun stinkende best, die moet je heel dankbaar zijn.”

“Een maand of twee geleden heb ik aan iedereen gevraagd of ik echt zo'n lastige jongen was. Niemand die het bevestigde. Om geld kan ik wel heel lastig worden. Als er problemen zijn met geld hebben ze aan mij een kwaaie. Mijn zakelijk instinct is redelijk ontwikkeld, mag ik wel zeggen. Je fietst toch voor je boterham.

“Maar als de lol er niet meer is, kun je ook niet meer voor het geld rijden. Als ik morgen geen zin meer heb om op de fiets te stappen, zou ik gerust een miljoen gulden laten schieten. Stoppen en winnen ligt heel dichtbij elkaar, pas op. Ik heb me altijd voorgenomen om meteen te stoppen als ik er geen zin meer in heb. Ik zal er geen traan om laten.”

Als wielrenner was Danny Nelissen een vroeggeboren laatbloeier. Hij begon op z'n tiende met fietsen en werd in de eerste koersen altijd gelost. “Ik was een heel klein manneke. Kleinste van het peloton, 36 kilo, maatje 37 in de schoentjes. Later ben ik nog aardig gegroeid en sterker geworden. Maar wielrennen was in die periode nooit meer dan een leuke hobby. Ik maakte me echt niet druk om de Tour de France. Pas toen ik bij de amateurs kwam ging ik daar zachtjes in geloven.”

Nelissen kreeg als negentienjarig talent een profcontract bij PDM. De ziekte van Pfeiffer heeft hem de eerste jaren parten gespeeld. Na elke koers in de regen lag hij 's avonds met koorts op bed. In 1993 vertrok hij geheel genezen naar TVM, waar hij redelijk begon maar na één seizoen opnieuw in de problemen kwam. Medische onderzoekers ontdekten hartritmestoornissen bij de renner die zelf nooit klachten had. Nelissen moest zijn proflicentie opzeggen en leek gedoemd een ander vak te leren.

“Ik raadpleeg altijd een tweede arts. Als ik een auto ga kopen ga ik ook eerst bij zes verschillende garages kijken voordat ik er een koop. Dat achterdochtige heb ik van huis uit meegekregen. Ik laat me niet snel bedonderen. Als er echt iets met m'n hart zou zijn geweest, was ik natuurlijk bereid te stoppen. Het was ja of nee. Er zat niks tussen. Het tweede onderzoek wees uit dat ik geen enkel gevaar liep.”

De financiële afwikkeling van zijn contract bij TVM had nogal wat voeten in de aarde. Nelissen maakt zich er inmiddels niet meer druk om. “Ik heb niks tegen TVM. Ik kon de ploegleiding best begrijpen dat ze van me afwilden. Wij hadden allebei een hele grote eigen mening en dat heeft gebotst. Daarna is het geëscaleerd met die harttoestand. Toen konden we geen kant meer op.”

Na zijn wereldtitel voor amateurs in Colombia kreeg Nelissen een gelukstelegram van Ad Bos, de directeur van TVM. Beide partijen zijn vervolgens om de tafel gaan zitten en hebben de laatste financiële problemen overwonnen. “Die fax van Bos getuigde toch van hartelijkheid. Zo moeten mensen met elkaar omgaan. Je kunt zakelijke verschillen hebben, maar de menselijke trekjes mag je nooit uit het oog verliezen. Als ik de man nu tegenkom, kan ik hem alleen maar vriendelijk gedag zeggen.”

Door de ontbintenis van zijn contract bij TVM en de mislukte poging om bij het Belgische Colstrop aan de slag te gaan, keerde hij noodgedwongen terug naar de amateurs. “Dat jaartje heeft me achteraf heel goed gedaan. Als ik bij Colstrop had getekend was ik nu geen coureur meer geweest. Ik had daar niet kunnen aarden. En als ik daar had gereden, had ik nu zeker niet in de Tour gereden.

“Ik heb bij de amateurs een fantastische tijd gehad, met heel veel plezier gereden. In het begin dachten ze: daar komt weer zo'n uitgebluste klootzak. Nu denken ze daar heel anders over. Ik heb bij de amateurs weer geleerd om fel te zijn. Als beroepsrenner word je afgestoempt door die lange afstanden. Maar er is natuurlijk wel een wereld van verschil. De hele Olympia's Tour is net zo zwaar als één etappe in de Tour de France.”

Zijn rentree in het profcircuit, afgelopen winter, leidde ook tot een meer afstandelijke relatie met Adrie van Diemen, zijn privé-trainer die hem per fax allerlei schema's toestuurde. “Ik heb veel aan hem gehad maar onze band wordt wel eens overtrokken. Adrie heeft mij niet meer gevormd. Ik was al de coureur die ik daarvoor was. En als je op je negentiende prof word, ben je zelf niet slecht bezig geweest, dacht ik. Alleen die laatste paar procenten, daar gaat het om. En die heb ik aan hem te danken.

“Dit jaar heb ik veel te veel koersen gereden om regelmatig contact te houden. Wij trainen met programma's die aardig overeenkomen met die van Adrie. Veel interval, niet te veel duurtraining. Heel goed luisteren naar je hartslagmeter, dat heb ik wel van hem geleerd. Maar het is een fabeltje dat je nooit meer acht uur op een dag zou mogen fietsen. Dat kan juist heel nuttig zijn. Als je nooit afziet op een training, rijd je deze etappes in de Tour ook niet zo makkelijk uit.”

Waar liggen de mogelijkheden van de 25-jarige eigenheimer, de renner die altijd strijd levert en tegelijktijd een fraaie rijstijl koestert? “Ik weet dat ik nooit een goede klimmer zal worden. Een heuveltje gaat nog wel, maar in het hooggebergte zullen ze mij niet van voren zien. Ik moet toeslaan in de vlakkere etappes. Eendaagse wedstrijden liggen mij beter. Waarom zou ik geen grote klassieker kunnen winnen? Dat is minder dan de Tour maar nog altijd aardig meegenomen.”

Wie verwacht hij in Parijs als winnaar aan de streep? “Heulot moeten we niet onderschatten, die rijdt verrassend goed in de bergen. Maar ik weet zeker dat Indurain de Tour gaat winnen. Mentaal is hij niet te kloppen. Hij rijdt constant uit de wind, maar bij een waaier is hij opeens heel attent. Schitterend om te zien. Jalabert houdt zich ook koest, maar wat doen mannen als Riis en Rominger in een gevaarlijke sprint? Risico nemen, krachten verspillen. Die krijgen de rekening nog een keer gepresenteerd.”

    • Jaap Bloembergen