Inkeer van een foute jongen

INGO HASSELBACH met Tom Reiss: Führer-ex: memoirs of a former Neo-Nazi

388 blz., Random House 1996, ƒ 50,40

Führer-ex, de autobiografie van voormalig neo-nazileider Ingo Hasselbach, roept aanvankelijk vooral wantrouwen op. Hasselbach, nog geen dertig, was tot enkele jaren geleden een heel foute jongen. De 'Führer van Berlijn' werd hij genoemd, of het 'blonde beest'. Hij leverde zijn bijdrage aan veldslagen, brandstichtingen en grafschendingen en sloeg en schopte genadeloos in op iedereen die hem in de weg stond. Geen man door wie de lezer zich snel zal laten meevoeren. Toch gebeurt dat. Hasselbach is niet apologetisch, maar ook geen bekeerling die met gretigheid uiteenzet hoe onvoorstelbaar zondig hij vroeger wel was. Hij vertelt levendig, soms zelfs opgetogen, over zijn eerdere bestaan en schetst zo een uniek beeld van Hitlers jongste kinderen.

Hasselbach werd geboren in de DDR, het onechte kind van een overtuigd communist die in 1964 van West naar Oost was gevlucht - een daad zo ongebruikelijk dat hij beloond werd met hoge posten bij radio en tv. Bij veelvuldige afwezigheid van zijn moeder groeide hij op bij zijn grootouders, van wie hij hield, en op kostscholen, die hij haatte. Toen zijn moeder trouwde met een autoritaire apparatsjik - “Mensen als mijn vader waren nodig om de DDR te stichten, mensen als mijn stiefvader om haar gaande te houden” - zocht hij zijn heil meer en meer op straat.

Vervuld van ongearticuleerde woede jegens de hypocrisie en repressie van het systeem, zijn brave klasgenootjes uit Stasi-gezinnen, de permanente zelfgenoegzame indoctrinatie, vond hij als puber een plaatsje in de tegencultuur van de hippies. Hij stal drank voor ze, zij wijdden hem in in de vrije liefde en de staat liet hen met rust. Maar Hasselbach wilde helemaal niet getolereerd worden, hij wilde zijn haat uitschreeuwen.

Tijdens een politieke manifestatie brulde hij 'De Muur moet om!' en belandde voor het eerst in de gevangenis.

Studiegroepje

Daar leerde hij enkele relieken van het Derde Rijk kennen, onder wie de vroegere Gestapo-chef van Dresden, en via hen een gedachtengoed dat pas goed taboe was: het nationaal-socialisme. Hoewel hij zijn hele jeugd was volgepompt met gruwelverhalen over het Derde Rijk, zegt Hasselbach, wist hij er eigenlijk heel weinig van. De geschiedenisboeken waren te duidelijk gekleurd om geloofwaardig te zijn, oorspronkelijke films of boeken onbereikbaar. Het glorieuze Duitse verleden dat zijn medegevangenen hem schetsten was precies wat hij zocht: een doel, een bron van trots en de ultieme belediging aan het adres van zijn vader, zijn stiefvader en het systeem. Het was het begin van een stormachtige carrière. Met enkele vrienden vormde Hasselbach een studiegroepje, waar ze zichzelf de rudimenten van het nationaal-socialisme bijbrachten. Na de val van de Muur - die Hasselbach overigens in West-Berlijn meemaakte; hij was drie dagen tevoren ontsnapt en kon deze wrange grap van de geschiedenis maar matig waarderen - stond hen plotseling niets meer in de weg. Iedere Stasi-man zocht een goed heenkomen, niemand durfde meer op te treden en de langdurig gekoeioneerde Oostduitse jeugd was klaar voor een afrekening. Subculturen van anarchisten, hooligans en neo-nazi's, in sommige gevallen alleen uit elkaar te houden door de kleur van de veters in hun legerkistjes, bloeiden op. Hasselbach en de zijnen kraakten een groot pand en stichtten daar het hoofdkwartier van hun partij, de Nationale Alternative. Met zijn 'Arische' voorkomen en bovengemiddelde intelligentie groeide Hasselbach uit tot de leider van het Oostduitse neo-nazisme.

De werkelijke leiding lag in West-Duitsland en Oostenrijk, in het bijzonder bij de onvermoeibaar nieuwe partijtjes stichtende Michael Kühnen. Vrijwel al het materiaal, van vlaggen en stickers tot antisemitische videospelletjes en handleidingen voor bommenbouwers, was afkomstig uit Lincoln, Nebraska, zetel van de vorig jaar opgepakte Gary 'Rex' Lauck en zijn 'NSDAP/Auslandsorganisation'. Geld kwam van Duitse sympathisanten. Hasselbach beschrijft met enige huiver de bezoekjes aan breekbare nazi-weduwen, die eerst taart en thee serveerden, vervolgens aandrongen op meer grafschendingen die maand en de jongens tenslotte met een goed gevulde buidel heenstuurden.

Het partijwerk bestond vooral uit knokken en provoceren. Dat provoceren was doodeenvoudig, omdat het taboe op het nationaal-socialisme zo groot is. Hasselbach beschrijft hoe een halfuurtje hakenkruizen en davidsterren spuiten op de graven van DDR-helden Ernst Thälmann en Walter Ulbricht resulteerde in een gigantische tegendemonstratie en uitgebreide aandacht in de media. Die aandacht groeide tot ongekende proporties in de vroege jaren negentig, toen de xenofobische volksopstand in Rostock en dagelijkse aanvallen op buitenlanders een internationale paniek veroorzaakten. Hasselbach en zijn huisgenoten lieten zich tegen forse betaling interviewen en fotograferen; een Hitlergroet of nazi-lied werd tegen meerprijs geleverd.

Aan het hoofd van het zeer jonge voetvolk stond, als we Hasselbach mogen geloven, een meer pathetisch dan angstaanjagend leiderschap. Bepaald memorabel is de bijeenkomst van vooraanstaande neo-nazi's bij de Oostenrijkse leider Gottfried Küssel thuis. Daar, in een luxueus appartement met wassen SS'ers, bordpapieren Wehrmachtsoldaten en een urinoir beschilderd met een davidster, werd de regering van het Vierde Rijk samengesteld. Hasselbach zou minister van financiën worden. Ter afsluiting van een lange discussie over de details van het toekomstige concentratiekampenstelsel wierp het voltallige kabinet pijltjes naar een levensgrote karikatuur van een jood.

Uitzichtloosheid

Het waren niet alleen dergelijke idiote vertoningen die Hasselbach deden twijfelen aan de waarde van de Beweging, maar ook, interessant genoeg, haar relatieve succes. In de DDR was hij een moedig slachtoffer geweest, nu hij het tij mee had, en zeker nadat in Mölln de eerste slachtoffers waren gevallen, zag hij zichzelf steeds meer als dader. Precies op dat moment verscheen de jonge filmmaker Wilfried Bonengel (die later ook in Nederland kortstondige faam zou verwerven door de rel over zijn uitstekende film Beruf: Neonazi) op het toneel om een documentaire over Hasselbach te maken. Ze reisden samen het circuit af en raakten gaandeweg bevriend. Dat was fataal. Hasselbach begon zijn brallende kameraden te zien door Bonengels ogen, en schrok.

Onder Bonengels vrienden zette Hasselbach zijn eerste stappen sinds jaren buiten de Beweging. Direct liep hij op tegen de absurde paradox in het hart van het neo-nazisme, de ontkenning van de Holocaust. De krampachtige ontkenning van een misdaad die ze heimelijk bewonderen maar tegelijk niet onder ogen kunnen zien, verraadt de uitzichtloosheid van de zaak der neo-nazi's. Toen Hasselbach in zijn vertwijfeling revisionistische klassiekers als het Leuchter-rapport herlas, snapte hij niet meer hoe deze lorren hem ooit hadden kunnen overtuigen.

Hasselbach stapte er uit en markeerde zijn afscheid met een spijtbetuiging op tv, een haastig geschreven 'brief aan mijn vader' in het Duits, en nu deze gepolijste, ietwat lange maar vaak ook fascinerende autobiografie. Zijn oude makkers bedankten hem met een loodzware bombrief, die door stom toeval niet explodeerde. Alleen al het feit dat deze ontknoping de lezer tevreden stemt, pleit voor de kwaliteit van dit boek.