Hond & Brein

'Canis timidus vehementius latrat quam mordet', schreef Quintus Curtius Rufus omstreeks 70 na Chr. Ofwel: blaffende honden bijten niet. Maar is dat nog wel zo? De komende weken onderzoekt Margot Engelen wat de moderne hond vermag. Aantekeningen bij een viervoeter. Vandaag: de denkende hond.

Voor de meeste mensen staat de gedachte dat honden kunnen denken gelijk aan antropomorfisme. Toch komt in allerlei ras-standaards, waarin voor elk ras de specifieke kenmerken staan opgesteld, het woord 'intelligentie' voor, vooral bij de terriërs. De meeste (ras)hondenbezitters zullen dan ook niet twijfelen aan de intelligentie van hun dier. In de spreektaal wordt daarbij doorgaans onmiskenbare 'ervaringsslimheid' voor denken versleten.

Net als er 'boerenslimheid' bestaat is er ook hondenslimheid. Zoals het elke dag op precies hetzelfde tijdstip kenbaar maken dat er gegeten dient te worden, of gewandeld. Heel slim, maar geen denken. Iets geraffineerder ligt dat weer bij de spaniel die bij tijd en wijle zijn riem in de schoot van zijn baasje legt. Ook bij het bastaardje dat een sleutelbos waarmee hij is bestraft stiekem verstopt, en bij de hond die de tel bijhoudt van het aantal weggeworpen stokken en er nooit meer of minder wil terugbrengen.

Een van onze honden doet, nadat ze gegeten heeft, ogenblikkelijk een plasje in haar etensbak. Waarom? Behalve een smerige is het ook een raadselachtige gewoonte. De enige verklaring lijkt dat het dier door het deponeren van iets vies wil verhinderen dat nog een andere hond plezier beleeft aan dat bakje. Ze misgunt een ander het genoegen.

Daarmee komen we dicht in de buurt van een typisch menselijke eigenschap. Kan een hond misgunnen? Heeft hij een moraal? Kan hij, kortom, denken? Die intrigerende vraag stelde Aristoteles zich ook al, en na hem mannen als Thomas van Aquino, Descartes, Darwin en in onze tijd Desmond Morris. Of op universitair filosofisch niveau tegenwoordig nog nagedacht wordt over het brein van de hond?

Voor de antropologe Elizabeth Marshall Thomas ligt het allemaal heel eenvoudig. In haar sympathieke bestseller The Hidden Life of Dogs stelt ze al dadelijk: “Do dogs have thoughts and feelings? Of course they do.” Voor een grondige maar onwetenschappelijke 'hondologische studie' volgde ze duizenden uren lang de gedragingen van haar tiental honden, wat een leuk maar niet overal overtuigend boek opleverde. Nachten lang achtervolgde ze op de fiets de omzwervingen van de reu die haar roedel leidde, met slechts één doel voor ogen: te ontdekken waarom hij zijn poot steeds een beetje hoger optilde. Pure zelfvergroting, concludeerde ze na lange tijd. Hoe hoger je pist, hoe groter andere honden die aan de boom ruiken denken dat je bent. Welbeschouwd is dit het enige feitelijke voorbeeld van hondedenken in de studie van Thomas. Talrijke andere hebben voornamelijk betrekking op onderlinge gezags- en liefdesverhoudingen.

Bij Thomas vond ik geen verklaring voor het in je voerbakje pissen. Bij Desmond Morris - Waarom blaffen honden - verwachtte ik dat ook niet. Dr. J.A. Bierens de Haan schreef tijdens de hongerwinter zijn boek Wat gaat er om in uw hond, waarin hij verslag doet van eindeloze tests en experimenten. Het bakje-plassen komt in dit werk niet voor, maar hij brengt wel heel zinnige verfijningen aan in het denken en doen van de hond. Met de subtiele uitdrukking 'begrijpend handelen' typeert hij de intelligentie van de hond die absoluut niet kan tippen aan het menselijke verstand.

De Canadese psycholoog en hondentrainer Stanley Coren publiceerde vorig jaar zijn ambitieuze boek The Intelligence of Dogs: Canine Consciousness and Capabilities, bij Balans verschenen als De intelligentie van honden. Coren gelooft zo heilig in het denkvermogen van honden, dat hij zelfs allerlei verschillende soorten onderscheidt: instinctieve intelligentie, adaptieve intelligentie, en praktische intelligentie. Die behalve te testen - er bestaan ontzaglijk veel IQ-tests voor honden - ook nog te verhogen zouden zijn!

Wie wel eens naar het tv-programma Natte Neuzen kijkt verbaast zich erover dat de honden die gebruikt worden voor de apporteerproef zo onnozel zijn. Binnen één minuut moeten ze een tiental voorwerpen - waaronder een raargevormde, en een lekkere worst - naar de baas toe brengen, die de longen uit zijn lijf schreeuwt ter aanmoediging. Niet één hond die nu eens op de gedachte komt een paar voorwerpen tegelijk mee te nemen. Stanley Coren heeft een voorbeeld van een hond, een Golden Retriever, die op het idee kwam het kleinste voorwerp in het grootste te doen en die tegelijk mee te dragen. Wat een triomfantelijk moment! Ik wou dat ik erbij geweest was. Het wordt nog overtroffen door de Haagse teckel die tijdens het oefenen voor de proef de handdoek waarop de voorwerpen waren gelegd aan de punt naar het bazinnetje trok.

In De intelligentie van honden staat al met al (254 blz.) maar één voorbeeld van hondse intelligentie dat absolute verbazing wekt. Een klein, hyperactief dartel hondje ergert gevaarlijk lang een grote Newfoundlander, die zijn kwelgeest op een creatieve en vreedzame manier onschadelijk maakt door hem in zijn nekvel te pakken en in de gladde badkuip te laten zakken, waar het hondje zelf onmogelijk uit kan klimmen. Over deze geniale inval kun je, als mens, lang nadenken.

Als honden kunnen denken, kunnen ze dan ook geloven? Het vergelijken van intelligentie van honden en mensen is zinloos - er zijn prachtige verhalen en gedichten over honden geschreven, maar nooit door honden. De huidige staat van de hondenwetenschap (over, niet van) lijkt niet veel verder te zijn gekomen dan Dr. Bierens de Haan in 1946. Vijftig jaar later meldt de klinische etholoog Dr. Knol van de beroemde Universiteitskliniek voor Gezelschapsdieren in Utrecht: “Er zijn allerlei aanwijzingen dat honden emoties kennen en beslissingen kunnen nemen, maar voor werkelijk en reflecterend denken is nog te weinig bewijs.” Resultaten van experimenten spreken elkaar tegen, een eensluidende visie is er nergens. Het gaat hier om buitensporig moeilijk onderzoek, en we zijn bij de hond nog niet verder dan het héél voorzichtig signaleren van symptomen van denken.

Het zou me niet verbazen als blijkt dat het denkvermogen van de hond lelijk verloren is gegaan door het contact met de mens. De gedomesticeerde hond hoeft ook geen staande oren meer te hebben, die kunnen rustig lang en liggend zijn terwijl bij wilde honden alléén alerte staande oren voorkomen. Hebben zij behalve het luisteren misschien ook het denken een beetje uitbesteed? Het gaat er maar net om wat honden noodzakelijk vinden. Dat is: ons begrijpen. Voor de hond is dat genoeg.

    • Margot Engelen