Een exotische zendeling

David Livingstone and the Victorian Encounter with Africa. National Portrait Gallery. 239 pp. ISBN 1-85514-177-9. Prijs ƒ 22,-

Ook in een tijd van snorkel- en safari-vakanties kan een reiziger in Afrika nog vreselijke ziektes oplopen. Niets nieuws, in vroeger eeuwen leden de meeste Westerse reizigers in Afrika gruwelijke ontberingen, of gingen er dood.

Verslagen van Victoriaanse ontdekkingsreizigers als Richard Burton en John Hanning Speke lezen als ellenlange ziektegeschiedenissen. Op hun beroemdste gezamenlijke expeditie naar de bronnen van de Nijl, in 1857, schommelden deze twee al na een paar weken rillend van de koorts op hun muilezels. Daarna ging het, figuurlijk, snel bergafwaarts. Burton kreeg malaria, zweren op zijn tong en moest zich laten dragen, Speke werd bijna blind door een oogontsteking, gevolgd door een oorontsteking nadat hij met een mesje een insect had verwijderd. Tussen neus en oor ontstond bij hem een merkwaardige holte, met als gevolg een fluitketelhoge pieptoon als hij zijn neus snoot. Later volgde nog meer koorts, met hallucinaties die Speke deden stuiptrekken en blaffen als een hond. Maar ondanks alles overleefden ze het. Speke kwam jaren later om bij een jachtongeluk - in Engeland - , Burton overleed in 1890 thuis in bed.

David Livingstone (1813-1873) overleed wél in Afrika, in een hutje dat volgelingen van de zieke missionaris voor hem hadden gebouwd in het dorp Chitambo, in het huidige Zambia. Ze vonden hem om vier uur 's morgens, geknield voor zijn bed. Livingstone's stoffelijke resten werden overgebracht naar Engeland; op een foto is te zien hoe een van zijn zwarte metgezellen, in keurig Victoriaans pak en met een melancholieke blik in de ogen, tegen zijn kist leunt aan boord van het schip dat hem naar zijn laatste rustplaats zou brengen.

De foto was, met tal van andere Livingstone-memorabilia, te zien op de tentoonstelling 'David Livingstone and the Victorian Encounter with Africa', in de Londense National Portrait Gallery. Een bezoeker met oog voor ontberingen kon zich daar - en ook in het boek dat van de tentoonstelling is verschenen - vergapen aan Livingstone's chirurgische uitrusting (een leren portefeuille met wat mesjes), twee vlijmscherpe pijlen 'afgeschoten op de boot van Livingstone', en het bijbeltje van zijn, eveneens in Afrika overleden, echtgenote Mary. “Gevonden in mama's jaszak na haar overlijden”, heeft de missionaris er ingeschreven.

Voor Livingstone was Afrika, ondanks alle ontberingen, allerminst het domein van Joseph Conrads beruchte Mister Kurtz, die stervend tekeer ging tegen 'the horror' van het donkere continent. Integendeel, Afrika was voor de Schotse zendeling en ontdekkingsreiziger een terrein van hoop en belofte. Hij geloofde hartstochtelijk in de zegenrijke missie van 'christendom en handel', die de Afrikanen uit de duisternis zou leiden.

Dat maakte hem al bij leven, en zeker na zijn dood, een legende in het Victoriaanse Engeland, dat hunkerde naar ethisch verantwoorde exotica. “Door hem te prijzen konden zijn landgenoten zonder schuldgevoel eer scheppen in hun exploratie van verre streken, en hun tegenstrijdige motieven verzoenen in een geruststellende combinatie van patriottisme en christelijkheid”, schrijft Tim Jeal in het boek bij de tentoonstelling.

Ook zijn opvattingen over de Afrikaanse medemens waren getekend door humanisme en nieuwtestamentische naastenliefde; hij stoorde zich aan de neerbuigende raciale stereotiepen van Speke en vooral Burton, die hij 'een morele imbeciel' noemde.

Polygamie werd door hem niet veroordeeld als overspel, zoals veel zendelingen deden, maar beschouwd als een traditie geboren uit onwetendheid, die met de komst van de Blijde Boodschap en de handelsposten vanzelf zou uitsterven.

Daar is allemaal bitter weinig van terechtgekomen, en in het boek merkt een van de auteurs op dat Livingstone waarschijnlijk zeer gemengde gevoelens zou hebben over de gevolgen van zijn bemoeienis met Afrika. Want zoals wel vaker met legendes: eigenlijk zijn ze aangeklede tragedies. Zijn 'ontdekkingen' bleken vrijwel allemaal onjuist, en zijn bekeringswerk was een jammerlijke mislukking. In heel zijn loopbaan bekeerde hij één koning, en die gaf bovendien al snel weer de voorkeur aan een polygaam leven op deze aarde boven het eenzame zielenheil in het hiernamaals.

Bovendien werd Livingstone opgevolgd door een generatie reizigers met wat minder strikte ethische opvattingen. De Brits-Amerikaanse journalist Henry Morton Stanley, die de verloren gewaande Livingstone in 1871 'vond' voor de New York Herald, schoot zich op reportage een weg door Centraal-Afrika. In de National Portrait Gallery hing ter illustratie zowel Livingstone's ouderwetse jachtgeweer als Stanley's moderne Winchester repeteer-geweer: eenzelfde verschil als tussen de, eveneens tentoongestelde, sjofele pet van Livingstone en Stanley's militaristische tropenhelm.

Met zijn optimistische, christelijke kijk op Afrika is Livingstone voor de moderne krantenlezer waarschijnlijk een exotischer figuur dan de Afrikaanse stamhoofden die hij uit alle macht probeerde te bekeren. De legende van de christelijke blanke man die naar terra incognita reist om daar de gordijnen open te trekken heeft de twintigste eeuw niet overleefd. Wat Afrika betreft, heeft de duistere Mr. Kurtz een langere adem gehad dan de verlichte missionaris.