Een crèche voor kinderen van verslaafde ouders; Normen en waarden van De Woezel

In de Haagse crèche De Woezel staat alles in het teken van het heroveren van een normaal leven. Een aantal van de kinderen van verslaafde ouders die er worden opgevangen, moest als baby afkicken. Anderen zijn nu al getraind in de stand van de ogen van hun wispelturige ouders. Peuters met een verleden: de heilzame werking van het tandenpoetslied.

Smakelijk eten, smakelijk eten

Hap, hap, hap, hap, hap, hap.

Dat zal lekker smaken, dat zal lekker smaken

Eet maar op, drink maar op.

Het is lunchtijd. Zeven dreumesen, in leeftijd variërend van tien maanden tot vier jaar, zingen het eetsmakelijklied. De handjes op tafel, de ogen gefixeerd op de grote pot Nutella. Ze zijn blond en blozend en dragen miniatuur spijkerjacks, leggings of een gebloemde zomerjurk. Ze heten Diana, Vincent, Jasper en Samantha en ze houden niet van korstjes, maar moeten die toch opeten. Eerder mogen ze niet van tafel.

De kinderen van De Woezel lijken doodgewone Hollandse crèchepeuters die zandkastelen bouwen en 's middags met geen stok naar bed te krijgen zijn. Jasper (1,5) staat rechtop in zijn spijlenledikant en neemt het liedjesrepertoire nog eens door. Mickey - die al de hele dag zijn 'Papa is the best'-speen in zijn mond heeft - klimt bij zijn buurman in bed, terwijl Tamara en Renée (allebei 4) in de tuin een skelterwedstrijd doen.

De Woezel staat op het lommerrijke terrein van het Haagse Centrum Verslavingszorg Zeestraat en heet officieel dagverblijf voor kinderen van (ex-)verslaafde ouders. Deze crèche, die elf jaar geleden op initiatief van het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs werd opgericht, is nog steeds de enige in zijn soort in Nederland. Eén Woezel-kind kost de gemeente Den Haag per jaar ongeveer 13 duizend gulden - bijna twee maal zoveel als de ruim 7 duizend gulden die de overheid betaalt voor een gemiddeld gesubsidieerd crèchekind. Een kostbare investering, die andere Nederlandse gemeentes zich niet kunnen of willen permitteren. Zij verwijzen kinderen van verslaafde ouders naar de reguliere kinderopvang of naar een van de 39 medische kleuterdagverblijven, waar kinderen met een lichamelijke of emotionele achterstand terecht kunnen.

Als de moeders om vier uur klaar zijn met hun dagprogramma - waarin voormalige gebruikers van drugs en alcohol weer aan het dagelijks leven leren wennen - of ze hebben net een nieuwe voorraad druppels ingeslagen bij de methadonbus, halen ze hun kroost op. Krampachtig sluiten ze hun kind in de armen, alsof het elke dag toch weer een wonder is dat het mee naar huis mag. “Het gevaar dat je de voogdijschap over je kind kwijt raakt, is klein, dat weet ik,” zegt Connie (43), methadongebruiker en moeder van de 2,5 jaar oude Madrie. “Toch blijf je altijd bang om je kind kwijt te raken. Elke keer als ik naar de vertrouwensarts moet om verantwoording af te leggen over mijn thuissituatie krijg ik een rolberoerte.”

In de twee speelzalen van De Woezel staan 21 plastic mandjes met gymschoenen, pyjamas en 'tuttelfruttelpoppen', zoals Diana de knuffelbeesten noemt. Dagelijks worden 21 kinderen bij de zes 'juffies' afgeleverd. Geen gewone crècheleidsters, maar hooggekwalificeerde sociaal-pedagogische hulpverleners die om kunnen gaan met een 'risicogroep'. Ze houden van ieder kind een dossier bij en voeren eens in de drie weken een evaluatiegesprek met de moeder. De vader is in de meeste gevallen niet meer traceerbaar.

Schrikachtig

Zeven van de 21 peuters zijn geboren met verslavingsverschijnselen. De eerste maanden van hun leven hebben ze in het ziekenhuis doorgebracht om van de heroïne of de methadon af te kicken. In die periode leden ze aan het Neonatale Abstinatie Syndroom (NAS): ze trilden onafgebroken, huilden op hoge giltoon, bewogen zich spastisch en schrikachtig en waren ontroostbaar.

De veertien andere peuters hoefden als baby niet af te kicken, maar een aantal van hen kampt nog steeds met het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS). Niet alleen zijn ze kleiner dan hun leeftijdsgenoten, ook kijken ze soms scheel, hebben ze last van een geestelijke achterstand en in een enkel geval van motorische storingen. De leidsters van De Woezel zijn beter bekend met het NAS dan met het FAS, omdat de meeste junkmoeders bij de crèche terecht komen via de Haagse drugsverslavingszorg HADOK, een soort thuiszorgorganisatie die drugsverslaafde ouders instructies geeft over de opvoeding van hun kinderen. “De tweeduizend Haagse opiaatgebruikers staan allemaal keurig geregistreerd,” zegt leidster Annemarie Taale, “maar een drinkende moeder kan haar alcoholprobleem verborgen houden.”

Monica (33), methadon- en valiumgebruiker, kan nog steeds niet praten over die kille wintermaanden van 1993 toen ze haar zoon Vincent (3,5) dagelijks op de couveuse-afdeling bezocht. “Dan moet ik heel hard huilen,” zegt ze terwijl ze nerveus een shaggie rolt. Tijdens haar zwangerschap had ze nauwelijks een buik en Vincent woog 2600 gram toen hij na zeven maanden ter wereld kwam. “Dat schuldgevoel. Ik vreesde voor een kind met een mank pootje. Vanaf het moment dat ik hem mee naar huis mocht nemen, was ik zo gelukkig dat ik hem suf verwende. Als hij een beertje wilde hebben, pakte ik dat voor hem, ook al gooide hij het onmiddellijk weer weg. Vincent is het mooiste dat me is overkomen. Ik voelde me niet nutteloos meer, terwijl hij thuis langzaam een klein tirannetje werd.”

Annemarie Taale trekt verbaasd haar wenkbrauwen op. “Toen Vincent hier twee jaar geleden kwam, was hij een klein, stil jongetje. Teruggetrokken en bang als iemand wat van hem afpakte.”

“In werkelijkheid is hij vrij sociaal,” werpt Monica tegen. “Hij plukt bloemen voor me en kletst de oren van mijn hoofd. Maar er is iets bij hem geknakt toen zijn vader twintig maanden naar een strafinrichting moest. De eerste drie weken dat Koos weg was, heeft Vincent onophoudelijk 'Papa, papa' geroepen. Sindsdien is papa stout. De band die ze samen hadden, komt nooit meer terug.”

“Ons vertrouwde hij voor geen cent,” herinnert Taale zich. “Pas na maanden ging hij anderen napraten en vanmiddag tijdens de lunch begon hij tot mijn verrassing uit zichzelf over zijn kapotte buggy te vertellen.”

“Ik hang veel te veel boodschappen aan die wandelwagen,” verontschuldigt Monica zich. “Weet je, ik ben een echte burgertut geworden. Ik zit de hele dag voor de tv en elke avond kook ik om zes uur. Vanwege de regelmaat. Ik wilde Vincent ook eigenlijk liever niet naar De Woezel laten gaan. 'Dan zit hij daar tussen de junks', dacht ik, maar dat valt reuze mee.”

Monica slaat haar benen over elkaar. “Niemand ziet aan me dat ik verslaafd ben. Ik ben niet verloederd of zo. Alleen durf ik nog niet in het speeltuintje tussen de buurvrouwen te gaan zitten. Dan voel ik dat ik anders ben. Onzeker. Ik zit nu op vijf druppels methadon per dag. Als ik er helemaal vanaf ben, neem ik nog een kind.”

De eerste dag dat Gerdy Verseveldt in De Woezel kwam werken, dacht ze sterk verwaarloosde kinderen aan te treffen. Kromme beentjes en ingevallen smoeltjes. “Maar toen ik het hek achter me dicht maakte, stond ik oog in oog met een blakende troep. Later ontdekte ik dat ik toch weer te snel had geoordeeld. Deze peuters waren weldegelijk beschadigd. Ze leven voortdurend in een zelfgecreëerd wereldje dat ze met hand en tand verdedigen. Ze zijn jaloers en chronisch aanhankelijk.”

Terwijl de kleintjes een middagslaapje doen, voeren de leidsters hun dagelijks overleg in het kantoor. De meeste Woezelkinderen kampen met ontwikkelingsstoornissen, zegt Petra de Groot, die vier jaar in dienst is bij het dagverblijf. Al is het volgens haar moeilijk uit te maken of dat deviante gedrag te maken heeft met hun aangeboren verslaving of met de spanningen thuis. NAS-kind Thomas liep al voordat hij een jaar was, maar hij zegt nog geen woord en Jimmy mag dan loenzen, maar dat doet zijn vader ook. “Je krijgt er geen grip op,” vindt De Groot. “Ze zijn dikwijls chaotisch en kunnen zich slecht concentreren op spelletjes. Op een kinderpartijtje weten ze zich geen raad. Ze slaan dicht of staan in een hoekje te huilen. De flexibiliteit die gewone peuters eigen is, kennen ze niet. Ze moeten altijd en overal wennen.”

's Morgens tussen half negen en tien is het problementijd. Tijdens de koffie kunnen de moeders openlijk vertellen over hun laatste zondes: het valiumtablet van de avond tevoren of de zware depressie. “Ze zijn helaas niet altijd even eerlijk”, is de ervaring van Petra de Groot. “Als het minder gaat, verzinnen ze een rooskleurig verhaal.” Zoals de moeder van Alfredo die beweert dat ze clean is, maar die in haar leven zoveel heeft gedronken en gebruikt dat Alfredo's kans op een hersenbeschadiging groot is.

De ware toedracht lees je onmiddellijk af aan het gedrag van de kinderen, zegt Annemarie Taale. Zo poept de vierjarige Alfredo nog steeds in zijn broek en praat hij als een kind van twee. “Hij negeert zijn moeder, terwijl zij zijn cadeautje voor moederdag niet eens uitpakt. En Melvin van anderhalf is onhandelbaar als zijn moeder een terugval heeft.”

“In één opzicht zijn deze peuters allemaal hetzelfde,” is Willy van Engelen opgevallen. “Ze kijken altijd hoe de ogen van hun moeder staan. Het ene moment stralen die liefde en aandacht uit, maar even later is de moederblik naar binnen gekeerd. Verslaafde ouders zijn wispelturig: nu eens toegeeflijk, dan weer geïrriteerd. Gevolg is dat hun kinderen, zo klein als ze zijn, een zware verantwoordelijkheid voelen voor hun moeder.”

Luxejunk

Suzanne (25) stond vanaf haar zeventiende achter het raam in de Haagse Geleenstraat. Zonder twee gram cocaïne per dag kon ze dat niet opbrengen. Een 'luxejunk', noemde ze zichzelf, totdat ze vier jaar geleden Renée kreeg. Toen Suzanne na drie maanden ontdekte dat ze zwanger was, stopte ze onmiddellijk met snuiven en met werken. Ze stapte over op een bijstandsuitkering, dumpte de vader in spe en trok in bij de vrouwenopvang van het Leger des Heils. “Ik was daar mijn vrijheid kwijt,” zegt Suzanne nu. “Maar wat is vrijheid nu helemaal als je gebruikt? Ik kon alleen nog maar aan dat kind denken.”

Vorig jaar zomer ging het weer mis. Haar toenmalige vriend verleidde haar tot een lijntje coke en mishandelde haar in het bijzijn van haar dochter. In drie maanden tijd viel Suzanne 25 kilo af. Het kwetsbare bestaan in haar nieuwe premie c-woning stortte in elkaar en ze zocht hulp bij de Haagse verslaafdenzorg. Sindsdien komt de HADOK een keer per week langs en zit Renée door de week in De Woezel. Suzanne volgt in tussentijd het therapeutische dagprogramma bij Centrum Zeestraat, het voormalige Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs. Ze voert konijnen, bakt potten, speelt volleybal en bezoekt het Mauritshuis. “Renée is hier rustiger geworden. Ze strikt haar eigen veters, smeert haar boterham zelf en ik heb de afgelopen acht maanden geleerd alleen te zijn en andere mensen te vertrouwen. Als het erop aan komt ben ik een sterke vrouw. Ik sta stevig in mijn schoenen, ook al heb ik nog één keer een blowtje gerookt en een xtc-pil geslikt.” Zodra Suzanne het dagprogramma heeft afgerond, wil ze naar de politieschool.

Juist door ouders te betrekken bij De Woezel, hervinden ze hun levensritme, zegt teamleider Jacco Castelein. “Ze kijken bij de leidsters af hoe je een kind veiligheid moet bieden. Ze leren simpele kinderliedjes als 'Klap eens in je handjes' en 'Zakdoekje leggen', ze zien dat het geen kwaad kan om af en toe eens een boekje voor te lezen. Intussen kunnen onzekere moeders de tijd nemen om af te kicken en thuis een huiselijk bestaan op te bouwen.”

Natuurlijk gaat het wel eens mis. “Als een kind elke ochtend verwaarloosd aan het hek wordt afgezet, moet je toch de Kinderbescherming inschakelen. Soms blijven peuters ineens weg, blijkt hun moeder de tram niet meer te kunnen betalen, maar meestal treedt er na enkele maanden een verbetering in. Voor deze moeders is het kind hun enige hoop en hun laatste kans. Dan bèn je wel gemotiveerd.”

Rituelen

Goedemorgen Nienke, zegt Wessel (2,5) als hij de speelzaal binnenstapt. Hij zet zijn petje af, hangt zijn spijkerjack op en gaat in de kring zitten. Zijn moeder Margot (35) kijkt goedkeurend toe. “Die twee woorden heeft hij hier geleerd,” zegt ze. “En denk maar niet dat hij naar bed gaat zonder het tandenpoetslied te hebben gezongen. Al zijn normen en waarden komen van De Woezel en ik kijk het voorbeeld af.”

Orde, orde en nog eens orde, roepen de leidsters in koor. Dat is het geheim van De Woezel. Liever nog hebben ze het over structuur. “In een gewone crèche hebben de peuters het reglement zo onder de knie,” zegt Willy van Engelen, “maar hier moet je de voorschriften elke dag opnieuw aanleren. Het geluk van deze kinderen hangt af van aandacht, regels en rituelen. Niemand verlaat hier de eettafel voordat zijn bord leeg is. Dat is het enige antwoord op sociale armoede, gebroken gezinnen, geweld en onverschilligheid.”

“Ik was hier liever niet binnen gelopen,” zegt Margot, die drie jaar geleden met succes van de heroïne is afgekickt en tegenwoordig met man en twee kinderen op loopafstand van de crèche woont. “Maar Wessel is dankzij De Woezel een doodnormale, blije peuter geworden. Het is hier een soort bio-vakantie-oord.”

Uit overwegingen van privacy zijn de namen van de kinderen en hun moeders gefingeerd

    • Jutta Chorus