Dood Somalische jongen leidt tot crisis leger Canada

Een onderzoek naar het doodmartelen van een Somalische jongen door Canadese VN-militairen heeft het Canadese leger in diskrediet gebracht. Het onderzoek naar de affaire, dat deze week afgerond had moeten zijn, duurt op zijn minst tot maart volgend jaar. Inmiddels staat de integriteit van de minister van Defensie en zijn chef-staf ter discussie.

MONTREAL, 6 JULI. Toen Shidane Arone, een zestienjarige Somaliër, in maart 1993 werd doodgemarteld door enkele Canadese militairen die deelnamen aan de humanitaire VN-missie in de Oostafrikaanse staat, wees niets er nog op dat dit zou leiden tot een langdurige crisis binnen het Canadese leger. Met een schadevergoeding van 15.000 dollar aan Arone's familie, die honderd kamelen had gevraagd, zou de kous af zijn, was de inschatting van Ottawa.

Maar voor het Canadese leger begon de ellende toen pas goed. Meer dan drie jaar later is het openbaar onderzoek naar de rol van een paar soldaten bij de dood van de Somaliër uitgegroeid tot een slepende affaire, waarin de bekwaamheid en integriteit van de gehele Canadese militaire top ter discussie staan, tot en met die van de chef-staf en de minister van Defensie.

Deze week had het eindrapport van de enquêtecommissie in de zogeheten Somalië-affaire klaar moeten zijn. De deadline is inmiddels echter verschoven naar maart volgend jaar. Bovendien is - ondanks het feit dat sinds oktober vorig jaar tientallen getuigen zijn gehoord - nog geen woord gezegd over de gebeurtenissen in Belet Huen, de plaats in Somalië waar de Canadezen gestationeerd waren. In de anarchie die daar heerste, werd de soldaten opgedragen Somaliërs die probeerden spullen uit het kamp te stelen, een lesje te leren. Arone overleefde een urenlange afranseling niet; ten minste één andere indringer werd van een afstand doodgeschoten. Maar “hoe tragisch de gebeurtenissen in Somalië ook zijn”, zegt Nicholas Stethem, militair analist in Toronto, “de incidenten waren slechts een symptoom van het werkelijke probleem: wanbeheer van de legerleiding.”

Aan die beschuldiging is inmiddels nog een andere toegevoegd: de legertop zou geprobeerd hebben de onverkwikkelijkheden in de doofpot te stoppen. Militaire documenten, waaronder logboeken uit de betrokken periode in Somalië, zouden zijn vernietigd of vervalst als journalisten inzage vroegen. Daardoor is de indruk gewekt dat het defensie-apparaat volstrekt onbetrouwbaar is. De affaire ondermijnt met name het gezag van de onlangs tot chef-staf gepromoveerde generaal Jean Boyle, die in zijn vorige functie verantwoordelijk was voor onder meer contacten van Defensie met de media.

Boyle werd per 1 januari van dit jaar in zijn topfunctie benoemd, uitgerekend omdat hij niets te maken had met de disciplinaire schandalen rond het regiment dat in 1992 naar Somalië werd gestuurd. Aan dit regiment“zaten wat scherpe kantjes,” getuigde gepensioneerd generaal Lewis Mackenzie eerder. Zo kwam aan het licht dat voor de missie naar Somalië incidenten binnen het regiment, zoals het spelen met oefenexplosieven en het in brand steken van de auto van een sergeant op een Canadese basis, al uit de hand liepen. Nadat begin vorig jaar video-opnamen opdoken van onhygiënische en racistische ontgroeningsrituelen, werd het regiment door David Collenette, de Canadese minister van Defensie, ontbonden.

“De onthullingen hebben het vertrouwen van de bevolking in het leger ernstig aangetast”, zegt Brian MacDonald, een gepensioneerde kolonel. De Canadezen, die hun soldaten graag beschouwen als de beste vredesstichters die er zijn, zagen toe hoe na de Somalië-missie negen militairen werden aangeklaagd in verband met de dood van Arone. Vier van hen werden veroordeeld, van wie één tot vijf jaar cel. Een ander kon niet terechtstaan wegens hersenbeschadiging, opgelopen bij een zelfmoordpoging vlak na het incident. MacDonald: “De vraag rees waarom dit kwajongensachtige regiment werd toegestaan voort te bestaan. De legerleiding deed er niets aan.” Generaal Boyle was volgens Collenette de juiste man om, in een tijd van een drastische inkrimping van het Canadese defensiebudget, het aangetaste vertrouwen in het leger te herstellen. Boyle was letterlijk ver verwijderd van de schandalen: ten tijde van de VN-missie was hij commandant van de Koninklijke Militaire Academie in Kingston, Ontario. Zijn bemoeienis met de affaire begon pas in september 1993, lang nadat de laatste Canadezen uit Belet Huen waren teruggekeerd. In zijn nieuwe functie van waarnemend onderminister van Defensie verantwoordelijk voor externe betrekkingen, werd hij toen aan het hoofd geplaatst van een werkgroep die de reactie van Defensie op kwesties rond de VN-missie moest coördineren.

Nu echter het achterhouden van gegevens het brandpunt is geworden van de Somalië-enquete, is de onschuld van de huidige stafchef in de affaire niet meer zo vanzelfsprekend. In april nog verklaarde Boyle in een toespraak op video, die onder het voltallige militair personeel werd verspreid, dat hij “nooit deel heeft gehad aan wat voor poging ook om het werk van de Somalië-enquête te dwarsbomen”. Hij droeg zelfs de gehele defensie-organisatie op een dag lang alle werkzaamheden te staken om te zoeken naar verdwenen documenten. Sindsdien is echter een notitie uit november 1993 boven water gekomen die Boyle in verband brengt met een plan om informatie aan de media over de Somalië-affaire te vervalsen.

“De positie van Generaal Boyle is zeer zwak”, concludeert Stethem. “Er zijn dingen gebeurd waar hij van geweten moet hebben. En als hij er niet van wist, dan deed hij zijn werk niet goed. Er is geen uitweg voor hem.” Boyle zelf doet er inmiddels het zwijgen toe: hij heeft geweigerd vragen van de militaire politie te beantwoorden en bereidt zich voor op zijn eigen getuigenis voor de enquêtecommissie, eind augustus. De commissie hoopt dan antwoord te krijgen op de vragen wat de generaal wist en wanneer hij op de hoogte werd gesteld.

Oppositiepartijen in Ottawa willen die antwoorden niet afwachten en dringen, ondanks het feit dat nog niet bewezen is dat Boyle iets verkeerds heeft gedaan, aan op zijn ontslag en op het aftreden van minister Collenette, die hem benoemde en nog altijd verdedigt. “Totdat de donkere wolk rond de chef-staf is weggenomen, kan hij moeilijk functioneren”, beaamt MacDonald, die erop wijst dat de onzekerheid rond de militaire topman het publieke vertrouwen in het leger wederom geen goed doet. “Er is sprake van een militaire-leiderschapscrisis totdat de enquêtecommissie tot conclusies komt. En ik betwijfel of de nieuwe deadline van maart 1997 gehaald zal worden.”

    • Frank Kuin