De roofvogelstand in Nederland; Echte jagers

Het aantal roofvogels in Nederland is de afgelopen eeuw aanzienlijk toegenomen. Maar vorig jaar werden er ook meer dan ooit vergiftigd of neergeschoten. Wie jaagt op wie? De boom in met de roofvogelwerkgroep: 'Er wordt een werkelijk absurd vijandbeeld van die vogels gecreëerd.'

Onderaan de grove den waarin hij zojuist omhoog is geklauterd maakt Rob Bijlsma voorzichtig zijn rugzak open. Hij tilt er drie jonge buizerds uit en zet ze op het mos. De kuikens hebben de felle blik en de kromme haaksnavel van hun ouders. Hun formidabele klauwen zijn al volgroeid, maar in het ragfijn getekende verenkleed zitten nog grote witte donsplukken en de pluizige koppetjes zijn warm en zacht. Ze kijken verbaasd naar dit onverwachte gezelschap. Goed op hun poten staan kunnen de buizerds nog niet. Ze slaken een paar schrille kreten tegen hun moeder, die boven de boomkruinen paniekerig rondvliegt. Daarna houden ze zich koest, plat tegen de grond gedrukt. Bijlsma: “Soms, als ze nog net iets ouder zijn, rennen ze alle kanten op en moet ik er achteraan.”

Juni is de ideale maand voor het ringen en onderzoeken van jonge roofvogels. In het Doldersummerveld in West-Drenthe doen Rob Bijlsma en Maria Quist van de Werkgroep Roofvogels Nederland dat nu bijna iedere dag. Drie jaar geleden publiceerden ze de Ecologische Atlas van de Nederlandse Roofvogels, met Bijlsma als hoofdauteur. In het monumentale boek, waarvan inmiddels tienduizend exemplaren zijn verkocht, zijn vele tienduizenden uren veldwerk verwerkt.

Vroeger was de roofvogelwerkgroep vooral in Noord- en Oost-Nederland actief, maar sinds de Atlas is verschenen is er een landelijk netwerk voor roofvogelonderzoek met 25 steunpunten van de grond gekomen, de Werkgroep Roofvogels Nederland. Daar zijn enkele honderden vrijwilligers bij aangesloten. “Zo krijgen we een steeds beter overzicht van de roofvogelstand”, zegt Maria Quist.

Bij Beetsterzwaag bijvoorbeeld is op initiatief van een politieman een roofvogelbeschermingswacht ingesteld. Jarenlang was het dorp berucht om de grote aantallen roofvogels die er door onbekenden werden vergiftigd. Dit jaar wordt tijdens het broedseizoen intensief gepatrouilleerd door vrijwilligers van de roofvogelwerkgroep, enkele vogelwerkgroepen en wildbeheerseenheden.

Roofvogels zijn in ons land al sinds 1941 volledig beschermd, maar veilig zijn ze niet. Nog altijd wordt vergiftigd aas uitgelegd. Volgens de Algemene Inspectiedienst (AID) in Zwolle is een nog veel groter aantal roofvogels het slachtoffer van het verstoren van nesten. Dat gebeurt door de eieren eruit te halen, het nest uit de boom te stoten of de nestboom om te zagen. De daders zijn vaak jagers, die de roofvogels als concurrent zien.

Maria Quist: “Wat mij tegenstaat, is de hetze van de jagers tegen de natuurlijke vijanden van het jachtwild. Vroeger, toen een jager van zijn vangst moest leven, was dat te begrijpen. Als je dan een vos zag, dan pakte je hem, anders kwam hij aan je eigen eten. Maar nu is dat anders. Er wordt een werkelijk absurd vijandbeeld van die dieren gecreëerd.”

Niettemin neemt de roofvogelstand al jaren toe, vooral omdat er in Nederland steeds meer bosareaal bijkwam, met name in Drenthe en Brabant. Van de buizerd bijvoorbeeld werden rond de eeuwwisseling nog maar zeventien nesten beschreven. “Stel dat het er in totaal tien keer zoveel waren, dan is dat nog niks”, zegt Bijlsma. “In de jaren zeventig waren het er 1750. Nu zijn er wel vijf- tot zesduizend broedparen.” Tegenwoordig is de buizerd vaak te zien: die dikke roofvogel die op een paaltje langs de snelweg zit.

Woeste taferelen

Rob Bijlsma woont in een rietgedekte woning in de wildernis. Onder het dak broeden zwaluwen, grauwe vliegenvangers en winterkoninkjes. Vanuit de huiskamer kijk je uit over een vennetje tegen een glooiende bosrand. In de kasten staat een verzameling vogelboeken waar menig instituut jaloers op zou zijn. Van uilen tot pinguïns, van de Seychellen tot Tahiti, een hele vogelwereld in boeken. Bijlsma is autodidact en trekt voortdurend het bos in. Het meeste onderzoek doet hij niet voor een opdrachtgever, al voert hij wel losse contracten uit, maar “gewoon, omdat ik het wil weten. Ik vind het leuk om dat allemaal uit te knobbelen. Alleen kosten die dingen die je echt wilt weten altijd zo ontzettend veel tijd.”

Afgezien van zijn boeken en publicaties in vakbladen leeft de roofvogelaar nogal teruggetrokken, ver van kapsalons en modezaken. Vandaag heeft zelfs zijn waterpomp het begeven, maar dat neemt hij lakoniek op. Grijnzend: “Deze trui heb ik toch al twee maanden niet gewassen. In het broedseizoen is daar geen beginnen aan.”

Dit jaar zag hij half januari de eerste buizerds al paren. Meestal legt het vrouwtje haar eieren pas vanaf eind maart of begin april. Zoals alle roofvogels begint ze op het eerste ei meteen te broeden, terwijl ze er intussen elke twee dagen eentje bij legt. Meestal legt ze er drie, soms maar eentje, soms wel vijf. De eieren zijn na 35 dagen uitgebroed. Het eerste jong heeft dus meteen een flinke voorsprong en die zal alleen maar groter worden. Hij krijgt het eerst en het meest te eten. Het jongste kuiken komt het laatst aan de beurt. In slechte tijden krijgt het helemaal niets en op den duur wordt het aan zijn broertjes en zusjes gevoerd. Bijlsma: “Met deze strategie bereiken de roofvogels dat ze in slechte jaren in plaats van drie of vier ondervoede jongen, die het geen van alle redden, toch kans maken op ten minste één nakomeling.”

Vooral de eerste dagen spelen zich woeste taferelen af in het gezin. Het oudste jong claimt al het voedsel. Zodra een tweede kuiken begint te bedelen, ramt hij het ongenadig in elkaar, ongeacht het voedselaanbod. Nummer twee hakt op zijn beurt in op nummer drie, enzovoort. De agressie houdt na een dag of tien op. Daarna zitten de jongen - als ze het overleefd hebben - weer knus bij elkaar. Tenzij er tegen die tijd te weinig voedsel is, want dan laait de strijd weer op.

“Vorig jaar zaten de jongen hier te janken van de honger”, zegt Maria Quist. “Hun moeder was gedood. Het mannetje sleepte zich een ongeluk en stouwde het nest vol met prooien. Maar bij buizerds is het de taak van het vrouwtje om die in hapklare brokken te scheuren. Valt zij weg, dan komt het mannetje niet op het idee om dat werk van haar over te nemen. Hij blijft steeds maar meer voedsel aanslepen, en dan zie je dat de jongen op het volgepropte nest omkomen van de honger.”

Ook kou kan funest zijn. De kleinste donsjongen zitten warm onder moeders vleugels. Maar als ze een week of twee oud zijn, en hun eetlust toeneemt, moeten beide ouders op jacht. De jongen blijven dan onbeschermd op het nest achter. Bijlsma: “Vorige zomer waren de jonge roofvogels net in dat stadium aangekomen, toen het twee weken bleef regenen. Ze zaten door- en doornat te rillen op het nest. Ik ben toen binnen drie dagen de helft van mijn jongen kwijtgeraakt.”

De jonge vogels worden altijd zo vroeg mogelijk geringd, zodra hun poten volgroeid zijn. De lichte aluminium ring wordt voorzichtig om de poot geschoven en tot een ovaal gebogen. Elke vogelring draagt een uniek nummer. Wie zo'n ring vindt, kan hem opsturen naar het Vogeltrekstation in Heteren en krijgt dan bericht terug. Het adres staat op de ring. Met een ringnummer is precies op te zoeken waar en wanneer de vogel werd geboren en door wie hij is geringd.

In goede jaren blijven de jongen vijf tot zes weken op het nest en zwerven daarna nog een maand of twee als 'takkelingen' in de buurt rond, waarbij ze door hun ouders worden gevoerd. Daarna moeten ze het zelf zien te rooien. De helft van de jonge roofvogels komt de eerste winter niet door.

Nagels als dolken

Elke dag bezoekt Bijlsma het buizerdnest, vlak bij zijn huis in het bos, om vleugel- en skeletgroei te bestuderen. Hij meet de vleugels dagelijks op en noteert de pootdikte. Ook neemt hij de lengte van de teennagels op, en van de achtste slagpen, een van de buitenste veren van de vleugels, die als standaardmaat geldt voor de veergroei. Meestal voert Bijlsma al dat werk bovenop het nest uit, in een zwiepende boomkruin, op vier tot twintig meter hoogte. Met scherpe klimijzers onder zijn schoenzolen werkt hij zichzelf omhoog, fabelachtig snel als een grote eekhoorn. Bij het nest gekomen verankert hij zich met een touw om zijn middel.

De oudervogels, die ons van verre hoorden aankomen, zijn luid roepend weggevlogen, maar ze gaan ook wel eens in de aanval. “Soms springen ze midden in je gezicht”, zegt Bijlsma. Op een videofilm die de roofvogelwerkgroep heeft gemaakt is te zien hoe een vrouwtjeshavik hem onder het klimmen keer op keer aanvalt en met nagels als dolken dwars door een extra pak kleren heen zijn armen openklauwt.

De meeste nesten worden maar een- of tweemaal per jaar geïnspecteerd. Eerst om de legselgrootte - het aantal eieren - vast te stellen en een paar weken later nog eens om de jongen te ringen, te meten en te wegen. Dit keer heeft Bijlsma de jongen bij uitzondering mee omlaag gebracht. “Een enkele keer kun je dat wel doen. Als je het goed aanpakt verstoor je het nest niet, anders zou ik er nooit aan beginnen.”

De jonge buizerds worden gewogen door ze met een poot aan een weegveer te hangen, wat tot een luid gesnerp leidt. Gelukkig is het snel gepiept. “Voor hun leeftijd zijn ze niet zo zwaar”, constateert Bijlsma. “Er lagen vandaag ook geen prooien op het nest en ze zien er niet uit alsof ze al hebben gegeten, want ze hebben geen volle krop.” Als het jong honger lijdt, neemt eerst de veergroei af en pas later de skeletgroei, zo blijkt uit Bijlsma's metingen.

Voedselgebrek kan leiden tot een groeistoornis van de veren. Als je zo'n misvormde veer tegen het licht houdt, zie je transparante banden, die zwakke plekken vormen. Ze ontstaan eerst op de dekveren, die de vogel warm houden, en pas het laatst op de buitenste veren (de slagpennen), die het belangrijkst zijn om te vliegen. Bijlsma doet al vier jaar onderzoek naar dit verschijnsel, dat fault bar wordt genoemd. Daarom meet hij sommige jongen ook zo uitgebreid op. Nu zien de vleugels er goed uit, maar vorig jaar waren misvormde veren schering en inslag. Dit jaar geldt overigens als een prima muizenjaar. Als je door het bos loopt, zie je ze links en rechts tussen de struiken wegschieten. Naast muizen brengen de beide ouders kikkers, padden en jonge konijnen naar hun jongen. In een gebied waar veel konijnen zitten, raakt het nest soms vol konijnenpluis. De jongen krijgen dat dons in hun ogen, die ermee verstopt kunnen raken. Soms gaan ze dan blind de wereld in.

Maria Quist heeft rond de nestboom intussen een handvol veren en braakballen verzameld. “Het leuke aan die rui-veren is, dat je daaraan de individuele vogel kunt herkennen”, zegt ze. “Het verenpatroon is uniek, net zoals onze vingerafdrukken dat zijn. Als je zo'n ruiveer naast een exemplaar van vorig jaar legt, kun je zien of je weer met hetzelfde dier te maken hebt.” Het moet wel om veren in precies dezelfde positie op de vleugels gaan - dat is te zien aan hun welving en aan de lengte.

Aan de witte poepstrepen rondom de nestboom is de leeftijd van de jonge vogels te schatten. Maria Quist: “Ze zijn al snel zindelijk en houden het nest schoon door hun poep ver over de rand te spuiten. Hoe groter ze worden, hoe wijder die kring. Kijk, hier is hij al een paar meter in doorsnee.”

Vaak ook zijn in de buurt van een roofvogelnest een of meer plukplaatsen te vinden, bijvoorbeeld een boomstronk of ander hoog uitkijkpunt. Hier ontdoet de roofvogel zijn verse prooi van vacht of veren. Maria Quist, die hier een goed getraind oog voor bezit na jarenlang voor Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en de samenwerkende vogelorganisaties (SOVON) te hebben gewerkt, diept de resten op van een jong van de grote bonte specht. “Die is vermoedelijk gepakt op de dag dat hij is uitgevlogen. Dan zijn de jongen nog onhandig, dat is een heel kwetsbare tijd.”

Kraaienjacht

Doodgevonden vogels kunnen via de politie of ambtenaren van de algemene inspectiedienst worden opgestuurd naar het Instituut voor Veehouderij en Diergezondheid (ID-DLO) in Lelystad. Hier houdt Pedro Zoun bij hoeveel roofvogels er vergiftigd of geschoten zijn, of in een illegale vosseklem zijn beland. In 1995 kreeg hij een recordaantal van 150 inzendingen binnen. Van de onderzochte vogels bleken er 62 vergiftigd (waarvan 56 buizerds) en 4 geschoten. Zestig andere exemplaren waren waarschijnlijk niet vergiftigd of niet meer geschikt voor onderzoek, bijvoorbeeld omdat de vondst al te lang had gelegen of de maag leeg bleek te zijn. De rest bleek overleden aan trauma, uitputting of ziekte.

Voor de eerste helft van 1996 is de lijst al weer ontmoedigend lang, temeer omdat maar een klein deel van alle slachtoffers naar Lelystad wordt verstuurd. Een Blauwe kiekendief bij Kloosterburen, vier buizerds bij Beetsterzwaag, drie buizerds bij Ommen, twee haviken bij Varsseveld, drie torenvalken bij Zevenaar, een rode wouw bij Bergh - in totaal staan er al 85 gevallen van bewezen roofvogelmoord op de lijst, die is bijgewerkt tot 14 juni 1996.

Veelgebruikte middelen om roofvogels te doden zijn volgens Zoun de landbouwvergiften aldicarb, parathion en carbofuran. Ze worden onverdund of in korrelvorm aangebracht op opengesneden fazanten, kip, muskusrat of ander aas. Daarnaast maakt de kraaienjacht, al dan niet per ongeluk, slachtoffers onder de roofvogels. Vooral in april en mei worden op grote schaal kraaienesten met hagel doorzeefd. In deze periode maken jagers de meeste kans om zowel het vrouwtje als haar jongen te raken. Dit is niet illegaal, want kraaien zijn niet wettelijk beschermd en mogen het hele jaar door worden gedood. “Maar een kraai maakt elk jaar een nieuw nest”, zegt Bijlsma. “Jagers schieten ook op oude nesten, maar daarmee bestrijden ze dus geen kraaien. Ze maken wèl slachtoffers onder beschermde soorten als ransuilen, buizerden, torenvalken en boomvalken, die daar vaak in broeden. Uilen en valken maken zelfs nooit een eigen nest.”

Jagers zijn verplicht zich van tevoren ervan te vergewissen dat het nest waarop ze mikken inderdaad door een kraai en niet door een beschermde roofvogel wordt bewoond. Toch worden regelmatig kraaienesten doorgeschoten waarop roofvogels bleken te broeden.

Dit jaar zijn voor het eerst twee jagers die op heterdaad waren betrapt bij het doorschieten van roofvogelnesten door de rechter veroordeeld tot geldboetes. Een derde jager werd veroordeeld voor het uitleggen van met landbouwgif behandelde 'gifeieren' - een praktijk die overigens weinig meer voorkomt. Vijf andere jacht-zaken waarin dit jaar proces verbaal werd opgemaakt moeten nog voor de rechter komen.

Duiven voor soep

In een dichter stuk bos bezoeken we een sperwernest. Sperwers zijn klein van stuk en broeden bij voorkeur in dichte bossen. Hun nesten worden vaak leeggehaald door havik en soms ook buizerd, die eerder met broeden zijn begonnen en al grote, hongerige jongen hebben. Dit sperwernest zit als een zwarte pluk takken bovenin een sitkaspar. “Dit bos is niet dicht genoeg, je kunt het nest veel te goed zien”, zegt Bijlsma misprijzend. “Hier gaan broeden is vragen om moeilijkheden.”

Haviken broeden altijd graag een eindje van elkaar. Het zijn echte standvogels, die niet naar het zuiden trekken. 's Winters is het geen vetpot voor ze, en daarom zitten ze liever niet te dicht op elkaar. In de oude broedterreinen is het bos al 'verdeeld', er bestaat een soort 'wachtlijst' voor nieuwkomers. Een jonge roofvogel die een territorium tussen twee bestaande nesten wil vestigen, wordt niet geduld. Vaak moet hij enkele jaren wachten tot ergens een nestelplek vrijkomt.

Daarom is het doden van roofvogels uit oogpunt van populatiebiologie ook zo zinloos: de lege plek die zo ontstaat, wordt meteen door een lid van de wachtlijst opgevuld. Bijlsma: “Een jager denkt: Als ik die havik pak, dan blijven er meer fazanten of konijnen over om op te schieten. Daar zou hij gelijk in hebben, als de roofvogel een extra sterftefactor zou toevoegen. Maar zo werkt het niet in de natuur. Als de havik ze niet pakt gaan die konijnen wel ergens anders aan dood. Bij houtduiven is daar al in de jaren zestig veel onderzoek naar gedaan. Van elke honderd houtduiven gaan er elk jaar vijftig dood, misschien tien door de havik en veertig door voedselgebrek. Het aantal roofdieren wordt bepaald door het aantal prooidieren. Dat hangt weer af van het voedselaanbod in het gebied, en niet andersom. De havik is dus geen bedreiging voor het plezier van de jager.”

Omdat er steeds meer dode roofvogels worden gevonden, lijkt het alsof de roofvogelvervolging toeneemt, zegt Maria Quist. “Maar dat is niet zo. Er wordt alleen veel beter gekeken, in alle boswachterijen. We hebben het vervolgingsprobleem op alle mogelijke manieren onder de aandacht gebracht. In de pers, in de Tweede Kamer.” Sinds twee jaar is het budget van het Instituut voor Veehouderij en Diergezondheid voor sectie op dode roofvogels verdubbeld en krijgt de roofvogelwerkgroep steeds meer medewerking van de Algemene Inspectiedienst, politie en terreinbeheerders. Quist: “Het vergiftigen van roofvogels is dan ook een structureel verschijnsel. Je ziet steeds dezelfde plaatsnamen opduiken.”

Ze wil de jagers niet over één kam scheren. “Ik heb er tien jaar mee samengewerkt en er zitten hele goeie mensen tussen. Ik ben ook niet tegen de jacht. Als iemand een konijn wil schieten of wat duiven voor de soep, zal ik daar niet van wakker liggen. Maar dat hele gesodemieter erom heen, dat hypocriete gedoe, de manier waarop jagers zich opwerpen als kenners van de natuur, en proberen een 'nuttige' draai aan hun hobby te geven. Teveel roofdieren, te weinig weidevogels... die voortdurende onruststokerij is heel kwalijk.” Ze is zelf in de jagerswereld opgegroeid. “Mijn vader was politieman en stroper. Als kind van zeven of acht liep ik met een windbuks te knallen. Ik ging in mijn eentje uit vissen en eieren rapen vond ik vreselijk spannend. Of jonge vogeltjes uithalen en ze dan zelf voeren. Maar op een gegeven moment kom je er achter hoe destructief dat allemaal is. Het is veel leuker om gewoon naar de natuur te kijken.”

    • Marion de Boo